De Willem
Arntsz
Hoeve
Cultuurhistorische Effectrapportage
In opdracht van de gemeente Zeist

stichting Welstandszorg Noord-Holland

De Willem
Arntsz
Hoeve
Cultuurhistorische Effectrapportage
In opdracht van de gemeente Zeist
Stichting
Welstandszorg
Noord-Holland
i.s.m.
Jef Muhren; Muhren Urban Design (MUD)
Marijke Beek; Beek & Kooiman Cultuurhistorie
Marinus Kooiman; Beek & Kooiman Cultuurhistorie
Aard-Jan Wullink; Archeological Research & Consultancy (ARC bv);
John Dekker; John Dekker advies & ondersteuning
Alkmaar, mei 2005

Inhoud
53
5. Cultuurhistorische waarden en het Masterplan
6
Voorwoord

5.1 Hoofdlijnen masterplan

5.3 Effectbeoordeling
7
1 Inleiding

5.5 Conclusies en aanbevelingen

1.1 Aanleiding

1.2 Vraagstelling
69
6. Beleid en instrumenten

1.3 Aanpak en opbouw van de CHER

6.1 Inleiding

6.2 Cultuurhistorie en archeologie in het bestemmingsplan
13
2. De geschiedenis van het gebied

6.3 Planbegeleiding en supervisie

2.1 Beschrijving ligging Utrechtse Heuvelrug

6.4 Richtlijnen architectuur en welstand

2.2 Geologie en landschap

6.5 Richtlijnen buitenruimte

2.3 Archeologie

6.6 Richtlijnen archeologie

2.4 Booronderzoek

2.5 Situatie rond 1850
81
Bronnen

2.6 Den Dolder tot begin 20ste eeuw
84
Colofon
25
3. De Willem Arntsz Hoeve

3.1 De Willem Arntsz Stichting en de boerderij

Bijlagen

3.2 Ontstaan van de buitenstichting ; de periode Poggenbeek

1.
Archeologische rapportage

3.3 De situatie rond 1915/1927

3.4 De periode Mertens

3.5 De Willem Arntsz Hoeve na WOII

3.6 Huidige situatie
45
4. Cultuurhistorische waarden

4.1 Inleiding

4.2 Psychiatrische principes en terreinontwerp

4.3 Waardering

4.4 Conclusies en aanbevelingen
4 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 5

Voorwoord
1. Inleiding
De stichting WZNH is een bureau voor de ondersteuning van 12 welstands- en monumentenadvies-
1.1 Aanleiding
commissies in 48 gemeenten in Noord-Hol and. De laatste jaren zijn in al deze gemeenten ruimtelijke
studies gedaan en beleidsnota's opgesteld om het welstandsadvieswerk te onderbouwen. Daartoe
1.2 Vraagstelling
zijn ook historische studies gemaakt van de architectonische, stedenbouwkundige en landschap-
pelijke karakteristiek van buurten, stadsdelen en landschappen. Er werd vanuit het kleine centrale
1.3 Aanpak en opbouw van de CHER
bureau van de stichting Welstandszorg Noord-Holland samengewerkt met stedenbouwkundigen,
planologen en landschapontwerpers. Het bureau is gevestigd in Alkmaar, heeft een staf van zes
personen met kwalificaties in de sfeer van architectuur, stedenbouw en cultuurhistorie.
De Cultuurhistorische Effectrapportage voor de Willem Arntszhoeve is opgezet vanuit dit bureau
met behulp van gekwalificeerde specialisten. Dit in nauwe samenwerking met de opdrachtgever de
gemeente Zeist, de initiatiefnemers Altrecht geestelijke gezondheidszorg en de Stichting De Seyster
Veste en ondersteund door West 8 urban design & landscape architecture bv, de provincie Utrecht
en de RDMZ.
Door de inbreng van al deze betrokkenen wordt bereikt dat de cultuurhistorische waarden in het
gebied kunnen worden beheerd en beschermd maar ook als inspiratie kunnen dienen voor ontwik-
kelingen die gericht zijn op het realiseren van een nieuwe laag in de geschiedenis op deze plek.
Noud de Vreeze,
Directeur van de Stichting Welstandszorg Noord Holland
6 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 7

1.1 Aanleiding
1.2 Vraagstelling
Voor de sturing van de ontwikkelingen op het terrein van de W.A.-stichting te Den Dolder is in opdracht
Opdracht
van de eigenaar gebruiker (De Stichting Altrecht) door het bureau West 8 een concept Masterplan
`Cox Kwartier' opgesteld (april 2005). Hierin worden ontwikkelingen voorgesteld bestaande uit
Voor het opstellen van deze CHER, is de stichting WZNH als opdrachtnemer verantwoordelijk;
sloop, nieuwbouw, herinrichting van bestaande panden en natuurontwikkeling. In het masterplan
uitvoerende werkzaamheden zijn onder supervisie van de stichting WZNH verricht door het Bureau
zijn de principes voor die ontwikkelingen vastgelegd, maar nog niet de feitelijke ontwikkelingen zelf.
Muhren Urban Design uit Leeuwarden, het bureau Beek & Kooiman Cultuurhistorie uit Amsterdam,
Uitgangspunt voor de plannen is onder andere behoud van cultuurhistorie door herontwikkeling en
het bureau ARC uit Groningen en het bureau John Dekker A&O te Waarland.
nieuwbouw.
De voorgestelde ontwikkelingen kunnen invloed hebben op aanwezige cultuurhistorische waarden
Doel
In dit kader is door de gemeente Zeist besloten, hierbij ondersteund door provincie en RDMZ, om
het effect van de ingrepen op de cultuurhistorische betekenis van de Willem Arntsz hoeve te laten
Belangrijkste doel van de CHER, is ervoor te zorgen dat in de diverse stadia van planontwikkeling
onderzoeken door middel van een Cultuurhistorisch Effectrapportage (CHER). Dit met name gericht
in een dergelijk kwetsbaar gebied de cultuurhistorische waarde steeds in de belangenafweging kan
op de archeologische, historisch geografische, stedenbouwkundige en landschapsarchitectonische
worden meegenomen. Het is een kader voor beoordelende instanties, zoals de RdMZ, de Provincie
betekenis van het complex.
Utrecht en het betrokken gemeentebestuur van Zeist, om goed beargumenteerd te kunnen oordelen
De historische stedenbouw (inclusief landschap) is naar het oordeel van de gemeente Zeist het as-
over de (cultuurhistorische) kwaliteit van de stedenbouwkundige plannen, landschapsplannen en
pect dat de meeste nadruk verdient. Het handelt hierbij om de analyse van het totale concept van
bouwplannen die voor dit gebied zijn opgesteld en de ef ecten van die plannen op de bestaande
een dergelijke instelling. Diverse gebouwen op het terrein zijn rijksmonument. De gemeente Zeist
cultuurhistorische waarden. Ook is het een kader ten behoeve van beheer van de cultuurhistorische
heeft bovendien aanvullend met name aan de dwarsassen diverse gemeentelijke monumenten aan-
waarde op langere termijn. Dit kan tot uiting komen in aanwijzingen ten behoeve van ruimtelijke
gewezen. Hierbij is ook de structuur, de stedenbouwkundige opzet en de relatie tussen gebouwen
beleidsinstrumenten als het bestemmingsplan.
en omgeving als gemeentelijke monumentale structuur (zonder formele status) aangewezen.
Op verschil ende schaalniveaus en vanuit verschil ende invalshoeken zijn aanwezige cultuurhistorische
waarden, de kwetsbaarheid ervan en de wijze waarop met deze waarden het best kan worden om-
gegaan, uitvoerig omschreven. In deze CHER is gestreefd naar een integratie tussen de disciplines
archeologie, historische stedenbouw en historische bouwkunst. De CHER heeft betrekking op de
middenas en de historische hoofd- zijassen. Uiteraard is een ruimer gebied in de analyse worden
betrokken.
8 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 9


1.3 Aanpak en opbouw
van de CHER

Aanpak
Uitgangspunt is het vastleggen van alleen die kennis die nodig is ter beschrijving van de voor plan-
ontwikkeling relevante cultuurhistorische kennis op zodanige wijze dat hieruit voor het planontwikke-
lingsproces en voor het te voeren ruimtelijk beleid sturende aanwijzingen kunnen worden gegeven.
De historische stedenbouw en de historische groenstructuur zijn de belangrijkste aandachtspunten.
Het gaat hierbij om een analyse van de ontwerpuitgangspunten voor een dergelijke instelling in
samenhang met de sociaal-maatschappelijke opvattingen destijds.
De aanwezige historische bebouwing is uitgebreid omschreven en bij de gemeente Zeist beschikbaar
en wordt hier dan ook verder buiten beschouwing gelaten.
Archeologisch onderzoek
Het archeologische gedeelte van de CHER is gebaseerd op het door ARC bv uitgevoerde archeolo-
gisch inventariserend veldonderzoek, 1e (verkennende) fase (A.J. Wullink, 2005).
Het inventariserend veldonderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een booronderzoek. Het
bureauonderzoek heeft tot doel om aan de hand van bekende gegevens de archeologische
verwachting voor de onderzoekslocatie te bepalen. Door middel van het booronderzoek wordt
vervolgens deze verwachting getoetst en eventueel aangevuld.
Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van Archis, de landelijke archeologische database
van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, geologische, geomorfologische en
bodemkundige kaarten, historisch-topografisch kaartmateriaal en relevante literatuur.
Omdat het hier een eerste, verkennende, fase van het IVO betreft is een relatief klein aantal boringen
Figuur 1; plan- en onderzoeksgebied (onderliggend kaartbeeld West 8)
geplaatst om de koppeling tussen bodem en geomorfologie en daarmee de archeologische ver-
wachting, zoals die in het bureau-onderzoek is aangetoond, te toetsen en te verfijnen. Hierbij is ook
rekening gehouden met eventuele toekomstige bouwlocaties. Binnen de Historische Middenas zijn
26 boringen geplaatst. Ten noorden van de middenas zijn vier boringen geplaatst, ten zuiden hier-
van één boring. De boringen zijn geplaatst tot in het onverstoorde moedermateriaal, gemiddeld 1 m
beneden maaiveld (m - mv). Voor het boren is gebruik gemaakt van een edelmanboor met een
diameter van 7 cm. De boorkernen zijn zorgvuldig uitgelegd, waarbij de opeenvolgende bodemlagen
10 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 11

2. De geschiedenis
van het gebied

precies konden worden beschreven en opgemeten. Vervolgens werd de bodemopbouw per boring
2.1 Beschrijving ligging Utrechtse Heuvelrug
beschreven en is er gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals aardewerkfrag-
menten, houtskool, fosfaatvlekken, vuursteen, natuursteen, verbrand leem en bot. Er is geen opper-
2.2 Geologie en landschap
vlaktekartering uitgevoerd, aangezien de onderzoekslocatie begroeid, verhard, dan wel bebouwd is.
2.3 Archeologie
De cultuurhistorische analyse en het archeologisch onderzoek hebben geleid tot de vaststel ing van
cultuurhistorische waarden. Aan de hand van de ontwerpprincipes van het complex zijn conclusies en
2.4 Booronderzoek
aanbevelingen geformuleerd gericht op behoud en eventueel herstel van cultuurhistorische waarden.
2.5 Situatie rond 1850
Masterplan en beleidsvertaling
2.6 Den Dolder tot begin 20ste eeuw
Na de analyse is bekeken wat de invloed op de cultuurhistorische waarden is van de gekozen planprin-
cipes uit het Masterplan `Cox Kwartier'. Dit heeft geresulteerd in een beoordeling en aanbevelingen.
In het laatste deel van de CHER is tenslotte aangegeven hoe de cultuurhistorische waarden in de
verdere ontwikkeling van het gebied kunnen worden gewaarborgd, zowel in de verdere planontwik-
keling als in het vast te stellen ruimtelijk beleid. Een aanzet is gegeven voor een structurele inbreng
van CHER informatie in het planontwikkelingtraject, op alle schaalniveaus.
12 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 13

2.1 Beschrijving ligging
2.2 Geologie en landschap
Utrechtse Heuvelrug
Het gebied waar de Willem Arntsz Hoeve is gevestigd, Den Dolder, ligt op de noordflank van de
Op basis van de geologische overzichtskaart (1:600.000) van Nederland, die is gebaseerd op De
Utrechtse Heuvelrug. Het instellingsterrein ligt op ongeveer 5 m +NAP, met uitschieters rond de
Mulder et al. (2003), de geomorfologische kaart (1:50.000) en de bodemkaart van het gebied, kan
+10. De Heuvelrug helt hier naar het noorden af. De oorspronkelijke Biltsche Duinen (nu Bosch en
de volgende geologische ontwikkeling worden geschetst.
Duin) ten zuiden van Den Dolder liggen op zo'n 8 ­ 14m +NAP, de Soesterberg reikt tot boven +40.
Naar het noorden toe neemt de hoogte af naar zo'n +2.5 op het landgoed Pijnenburg (gem. Baarn).
Het terrein van de Willem Arntszhoeve ligt ten noordwesten van de stuwwal van Den Dolder, die
Het reliëf is het gevolg van de ijstijden; de Utrechtse Heuvelrug is een glaciale stuwwal.
deel uit maakt van de Utrechtse Heuvelrug. De Utrechtse Heuvelrug is gevormd tijdens de voorlaat-
ste ijstijd, het Saale-glaciaal (370 - 130ka BP1). Tijdens dit glaciaal werden pleistocene fluviatiele af-
zettingen door Scandinavisch landijs opgestuwd en vormden zo het reliëf dat landschapsbepalend
is voor Midden-Nederland. De stuwwal van Den Dolder is oost-west georiënteerd en staat loodrecht
op de rest van de Utrechtse Heuvelrug. Ten westen van de Utrechtse heuvelrug en ten zuiden van
de stuwwal van Den Dolder worden smeltwaterafzettingen aangetroffen, die ook zijn afgezet tijdens
het Saalien. Deze smeltwater- of glaciofluviatiele afzettingen bestaan uit grof zand en grind en beho-
ren tot het Laagpakket van Schaarsbergen, Formatie van Drente. Geomorfologisch gezien vormen
deze glaciofluviatiele afzettingen smeltwaterwaaiers (sandrs) en smeltwatervlaktes (sandr-vlaktes).
Tijdens een groot deel van het laatste glaciaal, het Weichselien (115 - 10ka BP), heerste er in
Nederland een poolklimaat. Er is praktisch geen begroeiing en de wind heeft vrij spel, waardoor
bestaande afzettingen worden geërodeerd om elders als dekzanden te worden afgezet, zo ook
rondom de Utrechtse Heuvelrug. Deze dekzanden behoren tot het Laagpakket van Wierden (For-
matie Boxtel). De dekzanden die op de flanken van de stuwwal worden afgezet, worden gordel-
dekzanden genoemd.
Gedurende het grootste deel van het Holoceen (10ka BP - heden) staat de geologische ontwik-
keling rondom de stuwwallen stil en is het gebied grotendeels begroeid met loofbos.. Vanaf de
Late Middeleeuwen neemt de bevolkingsdruk toe en ontstaan er door houtkap en overbegrazing
uitgestrekte heidevelden. Door het op steken van heideplaggen ontstaan er grote zandverstuivingen
rondom de Utrechtse Heuvelrug. Deze zandverstuivingen vormen het Laagpakket van Kootwijk
(Formatie van Boxtel). Geomorfologisch worden lage en hoge land- en stuifduinen onderscheiden.
Het verschil tussen land- en stuifduinen is een kwestie van begroeiing: landduinen zijn begroeid,
stuifduinen niet.
1 ka (kilo année, kilojaar) is de wetenschappelijke notatie voor 1000 jaar. BP staat voor `Before Present' en wordt
gebruikt om absolute dateringen weer te geven ten opzichte van het afgesproken referentiejaar 1950. 10ka BP
betekent dus 10.000 jaar voor 1950 ofwel 8050 v. Chr.
14 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 15



2.3 Archeologie
Binnen de onderzoekslocatie zijn zowel dekzanden als stuifzanden te vinden. In de dekzanden is
Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (zie figuur 3.) uit de archeologische database
een haarpodzolbodem gevormd, terwijl de stuifzanden tot de duinvaaggronden worden gerekend.
van het ROB, Archis, hebben de voormalige stuifzanden een lage archeologische verwachtings-
waarde en de dekzanden een middelhoge verwachtingswaarde.
Omdat de stuifzanden lokaal verstoven dekzanden zijn valt te verwachten dat er een aantal verschil-
lende bodemprofielen worden aangetroffen. Voor de archeologie zijn vooral van belang de intacte
podzolprofielen in het dekzand, al dan niet afgedekt door stuifzand. Andere mogelijkheden die zich
voor kunnen doen, zijn geheel of gedeeltelijk verdwenen podzolprofielen, al dan niet afgedekt door
stuifzanden. Een schematisch overzicht van de verschillende mogelijkheden is te vinden in figuur 2.
Figuur 2; Schematische tekening van de mogelijke opeenvolgingen in het bodemprofiel.
Figuur 3; Indicatieve kaart Archeologische Waarden (IKAW).
Afbeelding: A.J. Wullink
Bron: Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek/ArchisII, 3 februari 2005
16 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 17

Uit Archis blijkt verder dat ten zuiden van de onderzoekslocatie, rondom de spoorlijn Utrecht-
nen (Van Doesburg & Drenth, in voorbereiding).
Amersfoort, tien vondsten zijn gedaan, die in onderstaande tabel zijn weergegeven.
Bovenstaande vondsten tonen aan dat de omgeving van de onderzoekslocatie bewoond is vanaf
het Neolithicum. Het ROB-onderzoek toont verder aan dat, zoals in paragraaf 2.2 al wordt veron-
nummer vondst
periode
dersteld, onder het stuifzand nog intacte podzolbodems aanwezig kunnen zijn, waarin sporen van
82302
fibula, munt, keramiek
Middeleeuwen
neolithische ouderdom en jonger aanwezig kunnen zijn.
92208
standvoetbeker-aardewerk
Neolithicum
De specifieke archeologische verwachting voor de onderzoekslocatie is dus als volgt: op die delen
92209
hamerbijl
Neolithicum/ IJzertijd
van de onderzoekslocatie waar een, al dan niet overstoven, intacte podzolbodem aanwezig is, kun-
92622
potbeker
Neolithicum/Bronstijd
nen archeologische sporen worden aangetroffen van neolithische ouderdom of jonger.
94391
dubieuze grafheuvel
Neolithicum/IJzertijd
94499
steengoed
Late Middeleeuwen
176132
handgevormd aardewerk
IJzertijd
176205
greppel/sloot, handgevormd aardewerk
IJzertijd
178045
fundering kloostercomplex
Middeleeuwen/Nieuwe Tijd
218278
dolk (onderdeel)
Bronstijd
Figuur 4; vondstentabel
In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn verder een tweetal vondstmeldingen gedaan. Ten
noorden van de onderzoekslocatie worden de resten vermoedt van een boerderij annex herberg,
het `Hooge Huys' die al voor 1700 moet zijn verdwenen (vondstmelding 243120). Ten zuiden van de
onderzoekslocatie zouden zich de resten van een verdwenen esdorp, `Hoog Hees' bevinden, dat in
de 17e eeuw nog als uitvalsbasis voor roversbenden diende (vondstmelding 243116). Uit de vonds-
ten kan worden geconcludeerd dat het gebied bewoond is sinds het Neolithicum. De dubieuze
grafheuvel heeft de status van monument van archeologische betekenis. De ROB (Rijksdienst voor
Oudheidkundig Bodemonderzoek) heeft naar aanleiding van de gevonden dolk (zie bovenstaande
tabel), ten zuiden van de spoorlijn Utrecht-Amersfoort, circa 700 m ten zuidoosten van de histori-
sche middenas een opgraving verricht. Tijdens deze opgraving zijn de resten van grafheuvels uit de
Bronstijd aangetroffen, alsmede sporen van een middeleeuwse nederzetting (11e en 12e eeuw). Na
deze bewoningsfase is er ter plaatse landbouw bedreven, zoals blijkt uit de aangetroffen ploegvoor.
Boven de ploegvoor bevindt zich 0,4 m stuifzand met daarin vegetatiehorizonten die aangeven dat
de verstuiving gefaseerd is verlopen. Aan de top van het stuifzand zijn scherven uit de 14e eeuw
aangetroffen, hetgeen inhoudt dat de verstuiving van de dekzanden voor die tijd moet zijn begon-
18 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 19


2.4 Booronderzoek
Voor het booronderzoek zijn 31 boringen geplaatst. De locatie van deze boringen is weergegeven in
figuur 5. Een beschrijving van de boringen is gegeven in bijlage 1.
Uit het bureauonderzoek (zie 2.2 en 2.3) komt naar voren dat op de onderzoekslocatie dekzanden
en stuifzanden voorkomen. De dekzanden hebben een middelhoge archeologische verwachting,
de stuifzanden een lage. De verstuivingen zijn in het veld goed te herkennen vanwege de grote re-
liëfverschillen op korte afstand. Door de lokale aard van de verstuivingen kan het bodemprofiel op
korte afstand sterk variëren. Dit is ook uit het booronderzoek gebleken.
Op grote delen van het terrein is de oorspronkelijke podzolbodem geheel of gedeeltelijk door ver-
stuiving verdwenen (boring 7, 8, 10 t/m 13, 17, 20, 22, 25, 28). In boringen 9 en 15 wordt een in-
tact podzolprofiel aangetroffen onder het stuifzand. In boringen 1, 14, 24 en 27 worden onverstoor-
de podzolprofielen aan het oppervlak aangetroffen. Naast de verstoringen door verstuiving zijn er
ook nog verstoringen van antropogene aard aan te wijzen. In boringen 3, 4, 5, 18, 30 en 31 wordt
een intact podzolprofiel aangetroffen onder een ophogingslaag of een geroerde laag. In de boringen
2, 6, 16, 19, 21, 26 en 29 zijn geen intacte podzolprofielen aangetroffen zie ook figuur 25.
Tijdens het booronderzoek zijn monsters genomen van de onverstoorde podzolprofielen. In deze
monsters zijn, na zeving op een 1 mm-zeef, geen archeologica aangetroffen.
Het beeld dat wordt geschetst door het booronderzoek is als volgt. Door verstuiving en egalisatie
is ter plaatse van de bebouwing van de historische middenas en op het terrein van Reinaerde de
archeologisch interessante podzolbodem geheel of gedeeltelijk verdwenen. In het bosgebied tussen
Reinaerde en de middenas en de verstuivingen ten zuiden hiervan is de podzolbodem door verstui-
ving geheel of gedeeltelijk verdwenen. Wegens de locale aard van de verstuivingen kan niet worden
Figuur 5; Boorpuntenkaart.
uitgesloten dat er in deze gebieden intacte podzolprofielen aanwezig zijn onder het stuifzand. Op de
Bron: Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek/Archis II, 9 februari 2005, bewerkt door A.J. Wullink.
overige delen van het terrein die minder door verstuiving en dus egalisatie zijn aangetast zijn intacte
podzolprofielen aangetroffen, al dan niet bedekt door een antropogeen dek, of met een geroerde
toplaag.
20 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 21

2.5 Situatie rond 1850
2.6 Den Dolder
tot begin 20ste eeuw

Halverwege de 19e eeuw bestond het gebied grotendeels uit heidevelden, in feite gedegradeerd
Voor het ontstaan en de groei van de nederzetting Den Dolder zijn in eerste instantie drie factoren
bos (m.n. gevolg houtkap en overbeweiding), zandverstuivingen (overbegraasde heide) en wat bos.
bepalend geweest: de aanleg van de spoorlijn Utrecht ­ Amersfoort, de vestiging van de zeepfa-
Uit de Topografische en Militaire Kaart van ca. 1850 blijkt dat het gedeeltelijk om natte heide ging;
briek De Duif en de komst van de Willem Arntsz Hoeve.
hierop wijst de naam Het Meer aan de westkant van het terrein. In deze buurt, waar later de boer-
De spoorlijn Utrecht ­ Amersfoort, geëxploiteerd door de Nederlandsche Centraal Spoorweg Maat-
derij van de Willem Arntsz Hoeve werd gesitueerd, stond -in elk geval vanaf 1880- het Meerhuisje,
schappij, werd aangelegd in 1863. In 1896 werd ter hoogte van Den Dolder op deze lijn de stop-
een boerderijtje met bakhuis (Blijdenstein 1983, p. 153). Ook het toponiem del voor een gebied in
plaats Dolderscheweg geopend. Vlak bij de stopplaats, ten noorden van de kruising spoorlijn/Dol-
dezelfde omgeving wijst op natte terreinomstandigheden.
derseweg, vestigde Christoph Pleines in 1902 zijn stoomzeepfabriek, die hij in Amersfoort na brand
Opvallend in het kaartbeeld is een gordel kleine verhogingen, stuifduintjes, die het terrein ongeveer
vanwege stankoverlast niet mocht herbouwen. Bij de fabriek verrezen arbeiderswoningen, een
halverwege in globaal oost ­ west richting doorkruist.
school en een postkantoor, waarmee het begin van het dorp Den Dolder een feit was.
Rond 1850 was nog geen sprake van een dorp Den Dolder, het gebied was schaars bewoond. Er
De topografische kaart 1:25.000, herzien in 1906, geeft van deze ontwikkeling een beeld. Fabriek,
stonden slechts enkele boerderijen en woonhuizen.
arbeiderswoningen en wat bebouwing vlak ten zuiden van het spoor vormen met elkaar het `dorp';
Aan de zuidkant van het gebied laat de kaart naast wat bos een hoekig perceel zien, voorzien van
de kruising spoor/Dolderseweg met de treinhalte is het centrale punt. De bebossing van de omge-
randbeplanting. Op de topgrafische kaart 1:25.000 uit 1898 is dit van oorsprong middeleeuwse
ving is ten opzichte van 1850 flink toegenomen, op het terrein van de huidige Willem Arntsz Hoeve
bouwland aangegeven als De Eng (afb. in Blijdenstein, 1984, p. 16), op die uit 1906 als Heezer Eng.
is inmiddels 40 ha naaldhout met wat loofhout aangeplant. Heide beslaat echter nog steeds de
In de huidige situatie doorsnijdt de spoorlijn dit voormalige akkercomlex; aan de noordkant op het
grootste oppervlakte.
terrein van de Willem Arntsz Hoeve is het geheel bebost.
Een kaart van de Nederlandsche Heidemaatschappij (1:1000, niet-gedateerd, ca. 1906, Archief WA
Stichting) verfijnt dit beeld voor een deel van het terrein in de buurt van de boerderij. Het bestaat uit
stuifzand en heide, beide met verspreid staande bomen, naaldhout en wat grasland.
22 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 23


3. De Willem
Arntsz Hoeve

3.1 De Willem Arntsz Stichting en de boerderij
3.2 Ontstaan van de buitenstichting; de periode Poggenbeek
3.3 De situatie rond 1915/1927
3.4 De periode Mertens
3.5 De Willem Arntsz Hoeve na WOII
3.6 Huidige situatie
Figuur 6; kadastrale kaart van ca. 1906
24 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 25


3.1 De Willem Arntsz Stichting
en de boerderij

Het kaartbeeld van 1906 laat ook de eerste activiteiten van de Willem Arntsz Stichting zien: de
Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat men niet begon met de bouw van patiënten-
bouw van een boerderij, met een aantal bijbehorende percelen (gronden ommuurde moestuin).
verblijven e.d. maar met een boerderij (ontwerp G. van Heerde). De situering, ten noordwesten van
De Wil em Arntsz Stichting, een Utrechtse psychiatrische instel ing, was er in 1906 in geslaagd 207 ha
het latere directiegebouw, houdt verband met bodemkundige gegevenheden (meest geschikte
aaneengesloten terrein aan te kopen ten oosten van de Dolderseweg. De prijs bedroeg 60.000 gulden.
grond). Hier kon - ongetwijfeld na egaliseren - wei- en bouwland aangelegd worden. De boerderij
Zandgrond was sowieso toen relatief goedkoop en de stankoverlast van de zeepfabriek drukte
werd voltooid in 1907 en kreeg een voor die tijd moderne inrichting met stal met tegelvloer en
waarschijnlijk de prijs nog. Een eerdere poging grond aan te kopen voor een buitenstichting in De
ondergrondse mestafvoer. Voor een boerderij heeft het complex een ongebruikelijke verschijnings-
Bilt was mislukt, o.m. vanwege bezwaren van omwonenden (ook toen al NIMBY!). De wens een
vorm: het woongedeelte is ongewoon groot en hoog. Uiteraard moest het gebouw dan ook veel meer
buitenstichting op te zetten, kwam voort uit de toenmalige psychiatrische inzichten. Genezing van
bewoners huisvesten dan een al een een boerengezin. Het complex staat aan de Boerderijlaan (adres
patiënten zou voorspoediger verlopen in de rust van het buitenleven, terwijl daar ook gelegenheid
Dolderseweg 256; Dolderseweg wordt verder afgekort als Dw).
was voor arbeidstherapie in de vorm van land- en tuinbouwactiviteiten.
Figuur 7; de boerderij
26 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 27


3.2 Ontstaan van de
buitenstichting;
de periode Poggenbeek

De bouw van de buitenstichting
Na de boerderij volgde de bouw van de overige onderdelen van de buitenstichting: woningen,
dienstgebouwen en paviljoens voor de patiënten.
Ontwerper van de eerste generatie van deze gebouwen was de Amsterdamse architect F.W.M.
Poggenbeek, die ervaring had met de bouw van `gestichten' in Castricum (Duin en Bosch) en
Apeldoorn (het Apeldoornsche Bos). Vanaf 1909 werden naar zijn ontwerp een woning voor de ge-
neesheer-directeur en andere woningen neergezet, in de jaren 1911-1912 gevolgd door een aantal
paviljoens, het directiegebouw, de gehoorzaal en het bedrijfsgebouw.
Figuur 8; kaartbeeld fase
Poggenbeek
Ontwerp van het terrein
Primair is een centraal gelegen, symmetrisch deel: het feitelijke buitengesticht of wel het zorgcomplex
Bij de inrichting van het terrein hoefde slechts rekening te worden gehouden met de aangrenzende
van functionele gebouwen en paviljoens. Ruimtelijk minder pregnant is de tweede `laag', die aan de
infrastructuur: de spoorweg in het zuiden en de Dolderseweg in het westen. De oostgrens werd
rand van het terrein is gesitueerd: de boerderij en de dienstwoningen.
gevormd door de gemeentegrens Zeist/Soest. Het terrein zelf werd doorkruist door een aantal
De dienstwoningen zijn op de tekening gesitueerd aan de Dolderseweg, de Boerderijlaan, die een
onverharde paden. Tegen het spoor lag een perceel dat benut was voor zandafgraving. Foto's uit
nieuwe haakse aftakking van de Dolderseweg is en de Berkenlaan (idem, schuin). De boerderij is
de begintijd van de Willem Arntsz Hoeve maken duidelijk dat er, buiten de aanwezige bospercelen,
het enige gebouw aan de noordkant van de Boerderijlaan.
vrijwel geen opgaande begroeiing was. Het is niet zeker of het terreinontwerp ook van de hand van
Het centrale deel wordt op de tekening ontsloten vanaf de Dolderseweg door middel van een sym-
Poggenbeek is. Literatuur noch historisch kaartmateriaal geven hierover uitsluitsel.
metrie-as, de Directielaan. In de symmetrie-as zijn het directiegebouw en de andere bedrijfsgebouwen
Er is een situatietekening bewaard van het terrein uit 1909 van de hand van Poggenbeek (Archief
gesitueerd, aan weerszijden de paviljoens. De keus voor losse, vrij bescheiden paviljoens in plaats
WA Stichting, afwijkend ex. in Arch. BWT Zeist, afb. in Blijdenstein, 1984, p. 166). Daaruit blijkt dat
van een of enkele hoofdgebouwen kwam voort uit de opvatting dat psychiatrische verpleging en
de opzet van het ontwerp tweeledig was.
behandeling relatief kleinschalig moesten zijn.
Vóór het directiegebouw is een rond pleintje aangegeven. De paviljoens liggen aan drie gebogen,
maar vrijwel evenwijdige assen die de Directielaan onder een haakse hoek kruisen. Deze dwarsassen
zijn noord ­ zuid gericht, de Directielaan op deze hoogte oost ­ west. Opvallend genoeg is deze
kaart uitvoerig voorzien van hoogteaanduidingen van het maaiveld.
Vergelijking met de topografische kaart van 1906 maakt duidelijk dat de Directielaan vanaf de
Dolderseweg in een `inham' tussen de stuifduintjes is geprojecteerd. Uit verscheidene kaarten en
tekeningen in het archief van de Willem Arntsz Stichting blijkt dat er voorafgaand aan de bouw flink
is afgegraven en opgehoogd. Grote delen van het terrein zijn daardoor veel vlakker geworden dan
eerder het geval was. Ook aan weerszijden van de Directielaan is vergraven; de laan zelf is daarbij
wat hoger dan de omgeving komen te liggen.
28 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 29



Figuur 9; kaartbeeld van vergravingen
Figuur 10; directiegebouw
De Directielaan heeft op de situatietekening een flauw gebogen tracé; vermoedelijk was het de
Aan de noordkant van de Directielaan zijn de paviljoens voor mannelijke patiënten ingetekend, aan
bedoeling dat steeds maar een beperkt aantal gebouwen zichtbaar zou zijn vanaf de Dolderseweg
de zuidkant die voor vrouwelijke patiënten. (De noordkant is qua terreinligging wat lager dan de
en de laan. Wellicht wilde men met dit ontwerpmiddel de indruk van massaliteit vermijden. Ook de
zuidkant, dit correspondeert met Poggenbeek's inrichting in Castricum waar de vrouwenpaviljoens
beplanting speelde daarbij dan een rol, op de tekening van 1909 is echter nog geen beplanting
op wat hoger gelegen duingrond lagen, Mens, 2003, p. 115.)
aangegeven.
Naast symmetrie en de strikte scheiding tussen mannen en vrouwen is voor de eerste bouwfase de
De situering van de paviljoens aan de dwarsassen is niet exact spiegelbeeldig; er is steeds een lichte
hiërarchische opzet kenmerkend. Deze blijkt uit de plaatsing ten opzichte van de centrale as: de 1e
verschuiving in de symmetrie waarneembaar. Hierdoor blijft de overzichtelijkheid van de plattegrond
klas paviljoens (Spinoza, Swammerdam, Dw 182 en 196) het dichtstbij, de 2e klas paviljoens (Camper,
gehandhaafd, maar ontstaat ook afwisseling in het beeld. Het geheel is te typeren als hiërarchisch van
Donders, Dw 184 en 198) wat verder weg en de 3e klas paviljoens het verste weg (Huygens,
opbouw, maar pittoresk of schilderachtig van invulling.
Van Swieten, Van Leeuwenhoek, Wier, Dw 186, 188, 200 en 202).
Nu nog steeds is er een duidelijke zichtrelatie tussen de paviljoens en het klokketorentje op het direc-
Tenslotte volgde de inrichting nog een psychiatrisch gegeven: de paviljoens met de meest `onrustige'
tiegebouw. Vanuit de bewaard gebleven paviljoens van Poggenbeeks hand is steeds het torentje te
lijders' werden het meest afgelegen gesitueerd (Boerhaave, Schroeder van der Kolk, Dw 190 en
zien (vanaf Wier en Camper nu wat moeizaam vanwege bomen in het zicht).
204). Dit laatste gegeven correspondeert eveneens met de aanleg in Castricum, het klasse/afstand
Het is heel goed denkbaar dat Poggenbeek het zicht op het torentje weloverwogen als composito-
aspect echter niet, aangezien Castricum alleen 3e klasse kende. De scheiding mannen ­ vrouwen
risch, samenbindend middel heeft ingezet.
was in die tijd een vaststaand gegeven, evenals het onderscheid tussen rustige en onrustige patiënten.
In de opzet van 1909 worden de drie dwarsassen aan de noordzijde doorgetrokken tot de Boerde-
rijlaan, aan de zuidzijde komen ze in een punt samen om vervolgens als één pad richting spoor te
lopen. Verder is een aantal slingerende paden op het terrein geprojecteerd. De noordkant is op de
kaart wei- en bouwland en moestuin (`werkverschaffing patiënten'), de zuidkant `wandelterrein voor
patiënten of bouwland'.
30 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 31



Figuur 12; kaart Heidemij met vloeivelden
De door Poggenbeek ontworpen paviljoens zijn altijd licht van kleur, meestal zelfs helemaal of ge-
deeltelijk wit. Waarschijnlijk was dit een poging om de bebouwing een vrolijk en licht uiterlijk te ge-
ven. Het toepassen van de châletstijl (voor bijvoorbeeld het directiegebouw) heeft een vergelijkbaar
resultaat.
Vloeivelden
Figuur 11; paviljoen Spinoza
Op de situatietekening van Poggenbeek (exemplaar Archief WA Stichting) zijn aan de noordoostkant
van het terrein `bevloeiingsvelden' aangegeven. Deze zijn op de latere kaart van Kolk uit 1915 aan-
geduid als `vloeiweiden'. De bevloeiingsvelden bij de Willem Arntsz Hoeve vormden een systeem
voor openlucht compostering van menselijke faecaliën. De riolering van alle gebouwen van de in-
Architectuur
stelling kwam hierop uit via een leiding die langs het mortuarium naar de vloeivelden voerde.
De loop van de rioolleiding, de situering van de schuiven en pomp en de hoogte ervan in relatie tot
Opvallend is de situering van de paviljoens, die allemaal met de lange zijde parallel aan de noord-
het omringende terrein is prominent op veel terreinkaarten afgebeeld. Kennelijk was het systeem
zuid lopende dwarsassen liggen. De lange (woon)gevels zijn daarom op het oosten en het westen
van groot belang.
georiënteerd. Bij alle paviljoens ligt de westgevel aan de dwarsas; hier bevindt zich daan ook altijd
de ingangspartij. Gemeenschappelijke verblijfsruimten, serres en afdaken om onder te zitten liggen
In het huidige terrein zijn restanten van het systeem duidelijk herkenbaar: land van een vrij grote op-
aan de oostgevel, grenzend aan de tuin.
pervlakte is grotendeels omgeven door met eikenhakhout beplante wallen waarin (oorspronkelijk af-
32 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 33


3.3 De situatie rond
1915/1927

gedekte) betonnen aanvoergoten liggen. Her en der zijn nog schuiven te vinden waarmee geregeld
Uit een kaart van architect H.J. Kolk uit 1915 (archief WA Stichting, afb. in Mens, 2003, p. 102) blijkt
kon worden waar de stroom precies heen werd geleid.
dat het plan volgens de tekening van 1909 in grote lijnen is gerealiseerd. Dit komt grotendeels overeen
Het tussenliggende terrein - de velden - ligt wat lager en is in kleinere velden onderverdeeld. Het
met het beeld van de topografische kaart 1:25000, verkend in 1927.
pompstation bij de vloeivelden is verdwenen.
De grootste wijzigingen zijn:
Uiteraard rijst de vraag of een vergelijkbaar systeem bij andere inrichtingsterreinen op het zand is
. de drie dwarsassen komen aan de zuidkant niet samen; wel is de middelste doorgetrokken naar
toegepast.
de Dolderseweg vlak bij het station,
. vanaf de flauwe bocht in de Directielaan zijn ter weerszijden gebogen paden naar de westelijke
Verwant zijn de industriële vloeivelden uit begin 20e eeuw, zoals Tilburg die aanlegde vanaf 1903
dwarsas aangelegd. Dit gegeven versterkt de symmetrie, aan de zuidoostkant van de Directielaan
ten westen en ten noorden van de stad. Door bezinking en drainage werd industrieel afvalwater en
is een min of meer rechthoekige padenstructuur met een cirkelvormig pad als centrum (in rudimen-
water uit open riolen gezuiverd (gedeeltelijk tot 1972 in functie, beschrijving + foto's restanten, zie
taire vorm aanwezig in 1915, uitgewerkt in 1927). In de huidige situatie is dit patroon herkenbaar.
www.cubra.nl). Andere voorbeelden zijn de vloeivelden bij aardappelmeelfabrieken in het noorden
van het land (aanwezig bij Ter Apel, Oranje) en suikerfabrieken (Groningen, aanwezig).
Figuur 13; ontwerp Mertens voor Zusterhuizen, 1928
34 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 35



Figuur 14; kaartbeeld H.J. Kolk 1915
36 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 37

3.4 De periode Mertens
Beide kaarten geven aan dat op de kruispunten van de paden beplanting staat; deze speelt een
In 1915 waren twee paviljoens, Antonia (Dw 192) en Wilhelmina (Dw 194), naar ontwerp van H.J.
belangrijke rol bij het zicht op het complex van buiten af, evenals beplanting langs de Directielaan,
Kolk, gebouwd aan de zuidkant van de dwarsassen. De paviljoens waren bedoeld voor patiënten
langs de laan richting station en een deel van de dwarsassen (steeds ondergroei + opgaande
die weer aan het gezinsleven moesten wennen en werden dan ook als vrijstaande burgerwoonhuizen
beplanting).
vormgegeven.
In de huidige situatie is hiervan vooral de laanbeplanting een markant gegeven (veelal eiken, soms
De plaatsing hield een afwijking in van de symmetrie uit de eerste grote bouwfase, maar was niet
dubbele rijen).
onherstelbaar. Aan de noordkant kon immers een paar corresponderende panden gebouwd worden.
Het kaartbeeld van 1915/1927 is op te vatten als de climax van de Poggenbeek-aanleg, gebaseerd
Dat is echter nooit gebeurd; de principes uit de eerste fase werden eind jaren '20 losgelaten of ten-
op de drie ontwerpprincipes symmetrie (maar niet volledig), scheiding en hiërarchie.
minste veel soepeler gehanteerd. In de periode vanaf 1928 werd het complex van de buitenstichting
Bouwactiviteiten in deze periode doen zich vooral aan de rand voor in de vorm van toevoeging van
aanzienlijk uitgebreid, zowel met paviljoens als met personeelswoningen. De belangrijkste ontwerper
personeelswoningen aan de Dolderseweg. Deze zijn niet van invloed op de centrale aanleg en de
in deze bouwfase was architect H.F. Mertens uit Bilthoven.
daarbij gehanteerde principes. (Personeelswoningen t.g.v. aanleg Nieuwe Dolderseweg nu van terrein
De personeelswoningen werden opnieuw aan de Dolderseweg gesitueerd, waardoor een (vrij ruime)
afgesneden.)
lintbebouwing ontstond. De rand van het terrein kreeg zodoende meer expressie, maar veranderde
qua karakter niet.
Op de kaart van 1915 is ook een groot deel van het gebied ten oosten van de Directielaan aange-
Veel ingrijpender waren de bouwactiviteiten in het centrale deel van de aanleg. Ten zuiden van de
geven. Het terrein is daar dan voor een flink deel bebost, voornamelijk met `dennen', De kaart geeft
Directielaan werden in 1928 twee vrouwenpaviljoens gebouwd (Eykman, Winkler, Dw 188A en
echter ook `eikenhakhout' aan (waarschijnlijk oud bos want op een al in 1850 bebost perceel, zie
194A), ten noorden twee mannenpaviljoens (Van 't Hoff, Lorentz, Dw 204A en B). De scheiding
TMK) en bouw- en weiland. De `vloeiweiden' liggen in zo'n hakhoutperceel. Een tweede, veel kleiner
mannen ­ vrouwen bleef met de bouw van deze vier paviljoens gehandhaafd. Echter, de symmetrie
complex vloeivelden, ligt bij de boerderij. Hiervan is niets bewaard gebleven (nu golfterrein).
werd doorbroken: Lorentz en Van 't Hoff verrezen ten noorden van de middenas op geheel andere
Tenslotte is in de bouwfase 1909 ­ 1912 een begraafplaats aangelegd met een mortuarium (aanw.,
plaatsen dan Eykman en Winkler aan de zuidkant. De reden hiervoor is niet duidelijk.
vernieuwd?) ten noordoosten van de Directielaan. De begraafplaats is echter nooit gebruikt en in de
huidige aanleg niet herkenbaar.
Tussen 1928 en 1931 werden, eveneens door Mertens, aansluitend zes dubbele zusterhuizen (Dw
Meer dan de kaart uit 1915 maakt die uit 1927 duidelijk dat de Willem Arntsz Hoeve opgevat kan
164A - 164G) gebouwd aan weerszijden van de centrale as, vlakbij het directiegebouw. Dit complex,
worden als een `landschapscatalogus', met wei- en bouwland, moestuinen, bos en heide. Vooral
Vijverhof genaamd, ontwierp hij in een U-vorm rond twee vijvers.
de oppervlakte heide ten zuidwesten van de Directielaan is een opvallend aspect (nog steeds aan-
Hiermee kwamen voor het eerst gebouwen voor vrouwen aan de noordkant van de as. De situering
wezig).
was gedeeltelijk spiegelbeeldig. Aan de noordkant werd de binnenruimte, in beide gevallen geleed
door een vijver, afgesloten door een in de as staand pand, aan de zuidkant niet. Wel paste Mertens
daar door rooilijnverlegging een `versmalling' toe, mogelijk in verband met het zicht op het achter-
gelegen heideterrein. In de huidige situatie is dit zicht door een pergola en bomen min of meer
dichtgezet.
De formaliteit van het complex zusterhuizen is groter dan die in de eerdere aanleg door de kleinere
roolijnverschuivingen aan weerszijden van de centrale as.
38 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 39




Figuur 15; detail van de kaart van Mertens 1928
Mertens' bebouwing oogt heel anders dan die van Poggenbeek. Lichte gebouwen met platte daken
maakten plaats voor gevels van roodbruine baksteen en forse schuine, ver overhangende dakvlak-
ken. Vaak bestaat een paviljoen uit een aantal tegen en in elkaar geschoven volumes en kappen.
Het zichteffect van de flauwe bocht in de Directielaan ging voor een groot deel verloren; de zuster-
huizen en het directiegebouw werden een eerste, prominente `laag' in het blikveld. De vooruitge-
schoven positie van het directiegebouw verminderde omdat de westelijke zusterhuizen er vrij dicht
achter werden geplaatst.
De bouw van het theehuis (Dw 170, ontwerp Mertens) waar patiënten hun familie konden ontvan-
gen betekende een verdere doorbreking van de symmetrie en van de strikte scheiding tussen man-
nen en vrouwen; het werd gebouwd aan de noordkant van de Directielaan. De centrale as werd zelf
verdicht met een ketelhuis en een nieuw werkplaatsgebouw met ruimtes voor timmer- en schilder-
werk, een mattenmakerij enz., het zg. Carré (1937).
Eveneens een nieuw gegeven bij Mertens is de toepassing van hoven: de zusterhuizen zijn ge-
projecteerd rond een hof. Dit werd voortgezet met het Carré, een complex dat aan drie zijden een
intieme binnentuin omsluit.
40 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 41


3.5 De Willem Arntsz Hoeve
na WOII

In een aantal opzichten was er ook sprake van continuïteit. De nieuwbouw uit eind jaren '20 in het
In de periode na 1945 vond aanvankelijk nauwelijks uitbreiding plaats. Wel werd in 1955 door Johan
centrale terrein van het terrein is steeds gekoppeld aan de infrastructuur van het eerste ontwerp.
van Heerde op het bestaande ketelhuis een winkeltje ontworpen, met de werkplaats voor vrouwe-
Daardoor is m.n. de relatie met de daarin doorgevoerde symmetrie in stand gebleven. Ook het
lijke patiënten erachter, nu `t Heuveltje genaamd. Het langgerekte gebouwtje maakt met zijn onder-
gebruik maken van landschappelijke kenmerken bleef gehandhaafd. Zo staat het theehuis op een
verdieping op een fraaie manier gebruik van het reliëf in het terrein.
stuifduintje.
Pas in de jaren '60 begon men weer op grotere schaal te bouwen. In 1967 verrees het Deltahuis, nu
Ook in de architectuur is er continuïteit. Net als Poggenbeek past Mertens veel en grote ramen toe,
Centrale Receptie, naar ontwerp van architect Wouda.
bijvoorbeeld in de paviljoens en de werkplaatsen in het Carré.
In de jaren '70 en '80 volgden verdere uitbreidingen (Dennendal etc.). Deze bouwactiviteiten vonden
merendeels plaats ten noorden en ten zuiden van de centrale aanleg. Deze bebouwing bestaat uit
uitgestrekte, maar lage gebouwen met - conform de bouwstijl van de jaren `70 - complexe, uitwaai-
erende plattegronden. Uitzondering daarop is de - eveneens in de jaren `70 gebouwde - centrale
keuken. Het gebouw heeft een eenvoudig volume en is enigszions verdiept gelegen. Tijdens de
bouw was dit de grootste keuken van Europa.
Naderhand zijn enkele van de paviljoens van Poggenbeek en Mertens gesloopt. Bovendien zijn her
en der tegen de bestaande gebouwen aanbouwen verschenen en is noodbebouwing neergezet.
42 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 43

3.6 Huidige situatie
4. Cultuur-
historische
waarden

Het terrein van de Willem Arntsz Hoeve, dat ooit één geheel vormde, is nu over verschillende eige-
4.1 Inleiding
naren verdeeld. De Stichting Altrecht (Willem Arntsz Hoeve) en de Stichting Reinaerde (Dennendal)
hebben respectievelijk het zuidelijk en het noordelijk deel van het bebouwde terrein in bezit, het
4.2 Psychiatrische principes en terreinontwerp
Utrechts Landschap het heide- en bosgebied ten oosten en ten westen daarvan.
De huidige situatie bestaat uit de voornamelijk historische bebouwing in de middenas die her en der
4.3 Waardering
is aangevuld met latere aan- en uitbouwen en tijdelijke bebouwing. Een aantal van de historische
paviljoens aan de dwarsassen staat er nog steeds, een aantal andere (Swammerdam, Van Swieten,
4.4 Conclusies en aanbevelingen
Schroeder van der Kolk, Winkler, Lorentz en van 't Hoff) is gesloopt. Daaromheen staan de forse
volumes van de paviljoens uit de jaren `70, vrijstaand in het groen en zonder duidelijke oriëntatie op
de weg.
De laanbeplanting langs de middenas is deels nog aanwezig, maar een ander deel is verdwenen.
Vooral langs de dwarsassen, buiten de eigenlijke middenas, is veel spontane opslag verschenen.
Het terrein van de voormalige WA Hoeve is er in de loop der jaren niet overzichtelijker op geworden.
Wel is de oorspronkelijke opzet van Poggenbeek met de belangrijkste bebouwing in de middenas
vanaf de Directielaan nog goed ervaarbaar. Alleen is de relatie tussen middenas en de paviljoens
aan de dwarsassen minder geworden door de sloop van een aantal nabij de as gelegen paviljoens,
het verdwijnen van een deel van de laanbeplanting en door het vele, spontaan opgekomen struik-
gewas.
Vanaf de latere bebouwing ten noorden en ten zuiden (bijvoorbeeld de Centrale Receptie) zijn de
middenas en de logica van de lanenstructuur in het geheel niet meer te ervaren. Ook de aan- en
uitbouwen en de tijdelijke bebouwing dragen daar hun steentje aan bij.
De lanenstructuur zelf is overigens goed intact gebleven, afgezien van de versperde laan tussen het
Carré en Sylvia Borin.
44 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 45

4.1 Inleiding
4.2 Psychiatrische principes
en terreinontwerp

In de effectbeoordeling (hoofdstuk 5) komt aan de orde wat de positieve en negatieve effecten van
Het terrein van de Willem Arntsz Hoeve weerspiegelt de vroeg 20ste eeuwse ideëen achter de
het voorgenomen plan zijn op de cultuurhistorische waarden van het terrein van de Willem Arntsz
geestelijke gezondheidszorg in Nederland. De belangrijkste sturende ideeën vanuit de psychiatrie
Hoeve. Om de overstap naar de effectbeoordeling mogelijk te maken, wordt in dit hoofdstuk van die
bij de inrichting van het terrein waren:
waarden een overzicht gegeven. Eerst wordt op grond van de bevindingen in hoofdstuk 3 beknopt
. De heilzame werking op psychiatrische patiënten van wonen en werken op het land,
aangegeven wat de psychiatrische principes achter de terreininrichting zijn en welke ontwerpmid-
. verpleging en behandeling in niet te grote aantallen,
delen in dat kader zijn gehanteerd (4.2). Vervolgens worden de aanwezige waarden die hieruit
. de scheiding tussen vrouwelijke en mannelijke patiënten,
voortkomen beschreven (4.3). Het hoofdstuk besluit met conclusies en aanbevelingen (los van het
. het onderbrengen van `onrustige' patiënten op de meest rustige plekken.
voorgenomen plan) inzake behoud en herstel (4.4).
Op grond van de opvatting dat de natuur en het buitenleven een heilzame werking hebben, werd
het terrein voorzien van een boerderij (zelfs als eerste gebouw), moestuinen en (wandel)bos. Het
bestaande landschap werd gedeeltelijk gehandhaafd; de heide en de stuifduinen konden immers
als natuurelementen een rol spelen. Om het nagestreefde karakter van `buiten wonen' te versterken
werden de paviljoens omgeven met groen (bomen, tuinen) en lanen beplant met laanbomen.
De opvatting dat verpleging en behandeling relatief kleinschalig moesten zijn resulteerde in de keus
voor losse, vrij bescheiden paviljoens in plaats van een of enkele hoofdgebouwen. De stringente
sexe scheiding leidde ertoe dat de mannen aan de noordkant gevestigd werden, de vrouwen aan de
zuidkant. Het reserveren van rustige plekken voor onrustige patiënten kreeg vorm in de positionering
van paviljoens voor deze groep: het verste weg van de centrale as met al e daaraan verbonden drukte.
Ook de toenmalige organisatie van de gezondheidszorg komt terug in het terrein: hoe lager de ver-
pleegklasse, hoe groter de afstand tot de centrale as.
In de eerste bouwfase (1909-1912) van het complex is een aantal ontwerpmiddelen ingezet om de
genoemde psychiatrische principes vorm te geven. De belangrijkste middelen die Poggenbeek (al
dan niet terzijde gestaan door een landschapsontwerper) heeft gehanteerd zijn symmetrie, hiërarchie
en oriëntatie. Het centrale deel van het terrein wordt bepaald door een symmetrie-as met de dienst-
gebouwen en dwarsassen met woonpaviljoens. Er is echter bewust sprake van een niet-spiegel-
beeldige, maar `verstrooide' symmetrie. Daarnaast heeft Poggenbeek allerlei zichtaspecten ingezet,
zoals visuele relaties tussen de paviljoens en het directiegebouw.
De middenas is grotendeels oost ­ west georiënteerd, de dwarsassen noord- zuid. Als gevolg zijn de
lange gevels van de paviljoens op het oosten of westen gericht. Serres, veranda's en verblijfruimten
liggen op het oosten of zuidoosten.
46 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 47

4.3 Waardering
Naderhand, in de fase Mertens (1928 ­ 1938), zijn in het ontwerp veranderingen gekomen. Zo werd
De belangrijkste cultuurhistorische waarde van de Willem Arntsz Hoeve ligt in de wijze waarop
de symmetrie gedeeltelijk doorbroken door plaatsing van paviljoens ten noorden van de middenas op
aan het terrein de vroeg 20ste eeuwse ontwikkeling van de psychiatrie afleesbaar is. Ondanks
geheel andere plaatsen dan aan de zuidkant. Ook kreeg de nieuwbouw een andere verschijningsvorm
gedeeltelijke sloop, toevoeging van latere elementen en op een aantal plaatsen een sterk verdichte
dan in de eerste periode. Omdat de nieuwe gebouwen echter gekoppeld werden aan de bestaande
begroeiing is het architectonisch en landschapsarchitectonisch concept waarmee de Willem Arntsz
structuur bleef die op hoofdlijnen intact
Hoeve specifiek als psychiatrische instelling heeft vorm gekregen herkenbaar. Daarom is het van
groot belang zorgvuldig om te gaan met alle elementen die daarin een rol spelen. Dit is te meer aan
de orde nu veel min of meer verwante instellingsterreinen in Nederland een transformatie onder-
gaan.
De belangrijkste elementen (zie ook waardenkaart) zijn, in afnemend schaal niveau:
. Het `heilzame' landschap met de afwisseling van hei, bos, moestuinen en daarin a.h.w. verstrooide
bebouwing. Een bijzonder element in het geheel wordt gevormd door de vloeivelden aan de
noordoostkant van het terrein.
. De stedenbouwkundige hoofdstructuur die bestaat uit een kerngebied met zorggebouwen aan
een middenas en dwarsassen en een randzone met vnl. dienstwoningen. De gemeenschappelijke
gebouwen staan achter elkaar in de middenas, met gazons ertussen. Het wonen gebeurt in het
bos. De structuur wordt versterkt door een veelal dubbele laanbeplanting.
De dwarsassen liggen noord ­zuid, de daaraan gekoppelde paviljoens liggen met hun lange gevels
steeds op het oosten of westen.
. Zichtaspecten; vanwege het achter elkaar plaatsen van bebouwing in de middenas is altijd maar
een deel zichtbaar bij nadering vanaf de Dolderseweg. Vanwege de flauwe bocht in de Directie-
laan verspringt bovendien het perspectief. De situering van de eerste generatie paviljoens (1900
­ 1912) is zodanig dat vanuit elk paviljoen het torentje van het directiegebouw is te zien. Vanaf de
middenas is er wisselend zicht op de paviljoens in het groen. De afstand tussen de gebouwen is
steeds zo dat geen wandvorming optreedt.
Bij de Vijverhof is een open korte zijde en een daarmee samenhangende rooilijnsprong (versmalling)
ingezet vanwege het zicht op de achterliggende heide.
. Het centrale deel van de Willem Arntsz Hoeve is a.h.w. opgebouwd uit een aantal in de tijd
herkenbare lagen: de laag Poggenbeek (1909-1912) met midden- en dwarsassen en paviljoens
in `verstrooide' symmetrie, de laag Mertens (1928-1938) met de Vijverhof en het Carré, waarmee
besloten `kamers' ontstonden die in een oogopslag te overzien zijn. Ook architectonisch zijn deze
lagen helder: bij Poggenbeek witte kleur, bij Mertens baksteen en forse kappen.
48 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 49

4.4 Conclusies
en aanbevelingen

. Van de bebouwing die in het centrale deel tot WOII is gerealiseerd is het grootste deel nog aan-
Een aantal gebouwen en de structuur van de Willem Arntsz Hoeve zijn afzonderlijk beschermd als
wezig. Met elkaar vormt deze bebouwing het eigenlijke zorgcomplex: een geheel van op elkaar
rijks- of gemeentelijk monument.Vanwege de grote cultuurhistorische waarde van de Willem Arntsz
betrokken paviljoens en dienstgebouwen met een gemiddeld hoge architectonische kwaliteit.
Hoeve is echter behoud en bescherming van alle bovengenoemde belangrijke elementen aan de
orde. De gemeente zou kunnen overwegen om de historische Willem Arntsz Hoeve aan te wijzen
als beschermd gezicht.
Het gaat dan om de hiervoor omschreven:
. Herinnering aan het concept van het `heilzame' landschap,
. de stedenbouwkundige hoofdstructuur,
. de visuele kwaliteit van landschappelijke en stedenbouwkundige structuren (o.a. zichtassen)
. herkenbare tijdlagen,
. bebouwing.
Een aantal elementen of aspecten die inmiddels verloren zijn gegaan kunnen hersteld of aangeheeld
worden. De belangrijkste aanbevelingen op dit punt zijn:
. Herstel van de laanbeplanting waar deze (gedeeltelijk) is verdwenen,
. herstel van zichtrelaties waar deze (gedeeltelijk) zijn dichtgegroeid,
. nieuwe bouwvolumes op plaatsen van afgebroken paviljoens.
50 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 51

5. Cultuur-
historische waarden
en het Masterplan
5.1 Hoofldlijnen masterplan
5.2 Effectbeoordeling
5.3 Algemene conclusies en aanbevelingen
52 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 53


5.1 Hoofdlijnen Masterplan
Het Masterplan `Cox kwartier' is gemaakt in opdracht van De Seyster Veste, een woningcorporatie
en de Stichting Altrecht, een van de huidige gebruikers van het gebied. Het Masterplan is gemaakt
door beide partijen in samenwerking met West-8 en Akro Consult. Dit in nauw overleg met de ge-
meente Zeist.
Het plan is onder andere gebaseerd op de gedachte dat door het toestaan van nieuwe ontwikkelingen
de bestaande cultuurhistorische waarden beter kunnen worden behouden en plaatselijk wellicht
versterkt of hersteld.
Hiertoe wordt als uitgangspunt genomen dat de nieuw te realiseren gebouwen de plaats innemen
van te slopen gebouwen, waarbij gedacht wordt aan concentratie van de nieuwe gebouwen aan de
Middenas.
Planprincipes en uitgangspunten
. Oppervlakte nieuwbouw is gelijk aan oppervlakte sloop
. Nieuwbouw flankeert de middenas in lengterichting
. Behoud en toevoeging van besloten binnentuinen zoals Vijverhof en Carré
. Drie `specials' aan de middenas
. Herbouw paviljoens Swammerdam en Swieten
. Woongebouwen op plint van parkeergarages, entrees aan de middenas, geen privé-tuinen
. Nieuwbouw is niet historiserend maar sluit aan op de traditie van vernieuwende architectuur
. Gedifferentieerd maar geïntegreerd beeld door 3 à 4 architecten
. Behoud en herstel oorspronkelijke lanenstructuur
. Ontmanteling Dennendal en natuurontwikkeling
Figuur 16; te verwijderen bebouwing in blauw; (kaartbeeld West 8)
54 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 55


5.2 Effectbeoordeling
planprincipe: sloop en nieuwbouw, bebouwing langs de middenas
effect op cultuurhistorische waarde:
Minder betekenisvolle gebouwen aan de middenas , zoals de centrale keuken het bestaande
Door sloop van bepaalde panden en door zorgvuldige toevoeging van bouwvolume wordt gepoogd
gebouw Sylvia Borin, paviljoen Jeltje en diverse uitbouwen aan de vroegste middenasgebouwen,
het principe van de middenas te versterken. Dit is op de meeste plaatsen gelukt. Het kwetsbare
worden gesloopt. Van de te behouden panden wordt aangegeven welke bestemming deze zouden
evenwicht tussen bebouwing en het steeds aanwezige landschap blijft over het algemeen behouden.
kunnen krijgen.
Ter plaatse van de Vijverhof zuid en bij Sylvia Borin wordt het zicht op het achterliggende landschap
In het masterplan wisselt het principe van de flankerende bebouwing af met de bebouwing in de
verslechterd.
middenas zelf. Bebouwing aan de dwarsassen is in verband met natuur en ecologie verder buiten
beschouwing gelaten.
beoordeling en aanbeveling:
De cultuurhistorisch waardevolle structuur van as en dwarsassen wordt niet verder aangetast en
blijft herkenbaar. Hiermee is echter niet gezegd dat de meest optimale vorm is gevonden om de
bestaande cultuurhistorisch waardevolle structuur herkenbaar te houden. Poggenbeek ging uit
van een centraal bebouwde hoofdas met incidenteel bebouwde dwarsassen (in langsrichting). Een
monumentale formele structuur (inclusief dubbele bomenrijen) bedoeld om het informele natuurland-
schap steeds ervaarbaar te maken. Ook de zusterhuizen van Mertens staan, alhoewel dichterbij, toch
niet als wandbebouwing langs de as. De periode van Mertens vormt zeker geen breuk met die van
Poggenbeek.
Indien de geprojecteerde bouwontwikkelingen beperkt blijven tot wat nu is voorgesteld en de
`transparantie' van de bouwblokken wordt geoptimaliseerd ten behoeve van de zichtrelaties met het
bos, kan gesproken worden van een niet al te sterke aantasting van de cultuurhistorische waarde
van het gebied. Dit wordt mede bepaald door de zorgvuldigheid van het voorgestelde plan met
sterke eigen planprincipes (open-gesloten-open gesloten), dat een nieuwe eigen, en consequent
toegepaste laag over het bestaande legt.
Zeker indien nog eens precies gekeken wordt naar plaatsing van Vijverhof Zuid en Sylvia Borin. Voor
vijverhof zuid is de open zichtlijn op het heidegebied zodanig van belang dat deze zichtlijn niet dient
te worden dichtgebouwd. Bij Sylvia Borin is de schaalsprong met de gebouwen de Wingerd en
Carré ten opzichte van een eerder planvoorstel al verminderd wel kan hier nog overwogen worden
dit gebouw meer ruimte te bieden (zoals bij het Heuveltje).
Figuur 17; ontwerp nieuwe bebouwing; (kaartbeeld West 8)
56 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 57


Planprincipe: bebouwing, binnentuinen en specials
Effect op cultuurhistorische waarde
De nieuwbouw wordt ter weerszijden langs de Middenas in de lengterichting opgesteld, hiermee
Ter plaatse van het bedrijfsgebouw en het Ketelhuisplein leveren de nieuwe toevoegingen bijzondere
wordt een aantal min of meer besloten binnentuinen gevormd, te weten `de Brink', `Bedrijfsgebouw',
ruimtes op zonder de cultuurhistorische structuur geweld aan te doen. Het achterliggende landschap
`Ketelhuisplein' en het `buurtpleintje'. Dit in aansluiting op de reeds gerealiseerd binnentuinen van
blijft voldoende aanwezig. Het paviljoen Oud Wier is nog net zichtbaar. De `special' bij het bedrijfsge-
Vijverhof en Carré.
bouw doorbreekt wel nadrukkelijk de symmetrie van de middenas, maar in feite gebeurt dit eerder bij
het bedrijfsgebouw ook. Ter plaatse van de Brink is de dichtheid te groot. Het paviljoen Spinoza,
wordt aan het zicht onttrokken. Ook bij het begin van de middenas overlappen de bebouwing aan
de middenas en de flankerende bebouwing elkaar te veel, waardoor een soort straatwand ontstaat.
Beoordeling en aanbeveling
De toevoeging van nieuwe openbare ruimtes is een middel om de nieuwe en oudere bebouwing te
koppelen. Dit is vormgegeven op een manier die nauwelijks afbreuk doet aan het cultuurhistorisch
patroon. Een versterking hiervan is het echter ook niet. Daarom wordt aanbevolen de inrichting van
deze afzonderlijke ruimtes zodanig op elkaar af te stemmen (gecombineerd met de laanbeplanting)
dat de continuïteit van de historische middenas gehandhaafd blijft. Ter plaatse van de Brink is het
van belang de steeds zichtbare aanwezigheid van het bos beter tot uitdrukking te brengen. Het
zicht vanaf de middenas op paviljoen Spinoza is in dit verband waardevol.
Bovendien is het aan te bevelen de historische bebouwing in de middenas en de flankerende
nieuwbouw niet te laten overlappen; de nieuwbouw zou hier minder in omvang moeten zijn dan is
voorgesteld.
Planprincipe: Herbouw paviljoens Swammerdam en Swieten
Op de plaatsen van de voormalige paviljoens Swammerdam en van Swieten worden nieuwe pavil-
joens toegevoegd. Andere paviljoens uit deze periode zoals Leeuwenhoek, Huijgen en Schroeder
van der Kolk worden niet teruggebouwd. Dit geldt ook voor paviljoens uit de Mertens-periode zoals
Figuur 18; openbare ruimtes; (kaartbeeld West 8)
Winkler, Lorentz en van 't Hoff (1928).
58 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 59



Beoordeling en aanbeveling:
Bouw van nieuwe woongebouwen op plaatsen waar paviljoens uit de periode Poggenbeek en
Mertens hebben gestaan kunnen bijdragen aan de herkenbaarheid van de historische structuur.
Voorwaarde is echter wel dat, de bebouwing, uitgaande van een aantal destijds toegepaste
ontwerpprincipes (oriëntatie, ontsluiting, relatie met de tuin, zichtlijnen) op een eigentijdse, en met
een onderling verwante verschijningsvorm wordt vormgegeven.
Figuur 19; paviljoen Spinoza vanaf de middenas
Effect op cultuurhistorische waarde:
De herbouw van de paviljoens Swammerdam en van Swieten zullen in stedenbouwkundige zin
gedeeltelijke reconstructie betekenen van een deel van de bebouwingsstructuur van de Poggen-
beekse periode. Deze keuze voor beperkte herbouw is in het masterplan niet onderbouwd, maar de
reden hiervoor is gelegen in beperking van het ruimtebeslag ten gunste van natuur. Ook aspecten
van leefbaarheid en sociale veiligheid spelen hier mee.
Figuur 20: voormalig paviljoen Swieten
60 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 61


Planprincipe: gebouwtypes, architectuur en differentiatie
De geprojecteerde bebouwing van overwegend twee en drie (soms vier) verdiepingen staat op een
halfverdiepte plint van parkeergarages. De entrees bevinden zich aan de middenas en er zijn geen
privé-tuinen. De nieuwbouw is niet historiserend maar sluit aan op de traditie van vernieuwende
architectuur. Door te kiezen voor 3 tot 4 architecten wordt gekozen voor een gedifferentieerd maar
geïntegreerd beeld. Gebouwen moeten zich tonen als singuliere volumes
Effect op cultuurhistorische waarde
De bebouwing op het terrein is in een aantal bouwperioden te onderscheiden. In elke periode heeft
steeds één architect zijn eigen stempel op de bebouwing gedrukt. De gebouwen uit een bepaalde
periode vertonen een bepaalde verwantschap en zijn dus niet singulier zoals van de nieuwe bebou-
wing wordt verwacht. Door een teveel aan differentiatie kan de herkenbaarheid van de samenhang
van de historische bebouwing geweld worden aangedaan. Een eigentijds karakter daarentegen is
inderdaad op zijn plaats daar hiermee de opeenvolgende tijdsbeelden afleesbaar blijven.
Beoordeling en aanbeveling
Het principe van de herkenbare bouwperioden pleit er voor de geprojecteerde nieuwbouw ook een
onderling verwante verschijningsvorm te geven, bijvoorbeeld door één architect of supervisor die
uitgangspunten bewaakt betreffende vormgeving en materiaal/kleur. Gelet op de hoeveelheid nieuw
programma is het ook van belang dat de nieuwe laag ingetogen en terughoudend van karakter is.
Figuur 21; wonen in het groen uit de periode Poggenbeek
Uitgangspunt: laanbeplanting herstellen, natuurontwikkeling en ontmanteling
Dennendal
De laanbeplanting in het gebied wordt behouden en waar mogelijk hersteld, in combinatie met een
eenrichtingscircuit voor het autoverkeer en vrijliggende wandelpaden. Op plekken waar bebouwing
wordt gesloopt wordt bos aangeplant, parkeren op de middenas gedeeltelijk op straat (graskeien).
62 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 63



van het landschappelijke beeld.. De geparkeerde auto doet hier afbreuk aan, zeker bij de aantallen
waar het nu om gaat . De aanplant van bospercelen op plekken waar wordt gesloopt kan nadelig
zijn voor de herkenbaarheid van de historische structuur.
Beoordeling en aanbeveling
De afwisseling van natuurlijke en ontworpen landschapselementen is in dit gebied cruciaal. De
dubbele bomenrijen vormen misschien wel het belangrijkste middel om de structuur van de Willem
Arntsz hoeve herkenbaar te houden. Dit kan echter worden ondersteund door selectief de spontaan
ontstane onderbegroeiing direct aan de midden en dwarsassen selectief op te schonen.
Ook bepaalde zichtlijnen naar landschap en paviljoens zouden in ere kunnen worden hersteld.
Elke geparkeerde auto in de middenas, zeker ter plaatse van de bestaande en nieuwe binnentuinen,
is er een teveel.
Figuur 22; nieuw ontworpen lanenstructuur (kaartbeeld West 8)
Effect op cultuurhistorische waarde
Herstel van de laanbeplanting (en incidenteel ook van verkeersroutes) is zeer waardevol voor de
herkenbaarheid van de ontworpen historische structuren. Het beperken van verhardingbreedtes,
het loskoppelen van wandelpaden en het gebruik van graskeien dragen al emaal bij aan het behoud
Figuur 23; padenstructuur met dubbele bomenrijen
64 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 65


5.3 Algemene conclusies
en aanbevelingen

. Met het voorgestelde plan worden de nog bestaande cultuurhistorische waarden grotendeels
behouden. Immers de structuur van het terrein blijft intact en wordt zelfs hersteld en versterkt,
(vrijwel) alle waardevolle historische bebouwing blijft bewaard, de lanenstructuur wordt hersteld
en enkele gesloopte paviljoens worden `teruggebouwd'.
. De toe te voegen nieuwbouw zet op enkele punten het zicht teveel dicht met name ter plaatse
van de Brink.
. Voor het ruimteafsluitend gebouw Vijverhof-zuid is een alternatief op zijn plaats, zodanig dat het
zicht vanaf de middenas op het heidegebied gehandhaafd blijft. Dit kan bijvoorbeeld door de be-
staande stroken nog eens (versprongen) te verlengen
. Overwegen om het geprojecteerde gebouw Sylvia Borin meer te isoleren in het bos, zoals ook bij
het Heuveltje aan de orde is.
. In het algemeen is behoud van zichtlijnen op zijn plaats. Dit kan bereikt worden door selectief te
snoeien in de onderbegroeiing. Met name Spinoza in het zicht vanaf de middenas behouden.
. Architectuur van gebouwen maar ook die van openbare ruimtes uitvoeren met een bepaalde
terughoudendheid en onderlinge verwantschap. Hierdoor kan een nieuwe hedendaagse ontwik-
kelingslaag ontstaan.
. Bij herbouw paviljoens toepassen van verwijzingen naar oorspronkelijke principes; oriëntatie,
ontsluiting, relatie met de tuin, zichtlijnen, massa- en volumeopbouw, geleding, detaillering,
kleur- en materiaalgebruik.
. Beperking van parkeervoorzieningen in de middenas tot het hoogst noodzakelijke.
. Behoud en herstel van oorspronkelijke wegen- en padenstructuur met dubbele laanbeplanting
Figuur 24; het Heuveltje heeft een meer vrije positie in het bos;
hier is goed gebruik gemaakt van het reliëf
66 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 67

6. Beleid en
instrumenten

6.1 Inleiding
6.2 Richtlijnen archeologie
6.3 Cultuurhistorie en archeologie in het bestemmingsplan
6.4 Planbegeleiding en supervisie
6.5 Richtlijnen architectuur en welstand
6.6 Richtlijnen buitenruimte
68 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 69

6.1 Inleiding
6.2 Richtlijnen archeologie
De informatie uit de cultuurhistorische analyse en de confrontatie hiervan met de gekozen ontwikke-
Op grond van het bureauonderzoek en de geplaatste boringen is een beeld geschetst van de arche-
lingsprincipes is in het navolgende hoofdstuk op zodanige wijze uitgewerkt, dat in de loop van het
ologische verwachting van het plangebied. Er worden drie verschillende gebieden onderscheiden
ontwikkelingstraject getoetst kan worden aan voor het betref ende stadium relevante randvoorwaarden
met verschillende verwachtingsniveaus. Per gebied zal nader advies worden gegeven voor een te
en criteria. Hiertoe zijn aanbevelingen geformuleerd voor:
volgen onderzoekstraject in het kader van eventuele grondwerkzaamheden in de toekomst. De
verschillende gebieden zijn weergegeven in figuur 25.
. Aanwijzingen in het kader van behoud archeologische waarden
. Stedenbouw /RO; cultuurhistorische paragraaf ten behoeve van bestemmingsplan, op behoud
Het dekzandgebied, met daarin intacte podzolbodems, heeft een middelhoge archeologische ver-
cultuurhistorie gerichte voorschriften en bepalingen
wachtingswaarde. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan eventuele grondwerkzaamheden een
. Stedenbouw/architectuur; advies ten aanzien van planbegeleiding en supervisie.
specifiek op de bouwlocatie(s) gericht verkennend inventariserend veldonderzoek uit te voeren.
. Bouwen/welstand; welstandscriteria voor bestaande en nieuwe gebouwen.
Het stuifzandgebied heeft op zich een lage archeologische verwachtingswaarde, maar de mogelijk-
Landschapsontwerp/civiel techniek; criteria voor herinrichtingsplan(nen) openbare ruimte.
heid bestaat dat er onder het stuifzand nog intacte podzolen worden aangetroffen, waarvan de
archeologische verwachting middelhoog is. Omdat de variatie op korte afstand groot is, wordt een
intensieve boorcampagne niet doeltreffend geacht en wordt geadviseerd om bij eventuele grond-
werkzaamheden een opgraving met beperkingen (voorheen archeologische bouwbegeleiding) uit
te voeren.
Het bebouwde deel van het stuifzandgebied is sterk vergraven. Eventuele vervolgstappen worden
niet nodig geacht.
70 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 71



Figuur 25; Archeologische verwachtingskaart van de Willem Arntszhoeve in Den Dolder, op basis
van bureau- en booronderzoek. Bron: Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek/Archis II, 9 februari
2005, bewerkt door A.J. Wullink/J.E.F. Muhren.
72 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 73

6.3 Cultuurhistorie en
archeologie in het
bestemmingsplan

Mogelijkheden van planologische bescherming
Archeologie
Daar waar de archeologische verwachting hoog is , kan in het bestemmingsplan een zogenaamde
Naast de wettelijke beschermingsmogelijkheden van onder andere de Monumentenwet, de
dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" worden opgenomen met daaraan gekoppeld
gemeentelijke monumentenverordening en kapverordening biedt het bestemmingsplan enkele
een aanlegvergunningstelsel dat er zorg voor draagt dat de eventueel aanwezige archeologische
expliciete beschermingsmogelijkheden voor zowel beschermingswaardige bebouwing als de bijbe-
waarden in voldoende mate worden beschermd. Verder kan ook worden gekozen voor een regeling
horende omgeving en de aanwezige archeologische waarden. Verder is het bestemmingsplan bij
dat in een gebied alleen met een binnenplanse vrijstelling mag worden gebouwd. Vrijstelling wordt
uitstek het instrument om de gebruiksmogelijkheden en bouw- en uitbreidingsmogelijkheden van
slechts verleend indien middels onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden in het
de nieuw geprojecteerde bebouwing te regelen in relatie tot de aanwezige cultuurhistorische en
geding zijn danwel middels opgelegde vrijstel ingsvoorwaarden wordt gewaarborgd dat de aanwezige
archeologische waarden. De gemeente zou kunnen overwegen het gebied aanvullend aan te wijzen
archeologische waarden niet worden aangetast.
als gemeentelijk beschermd gezicht. Hiermee wordt de betekenis van het bestemmingsplan als
conserverend instrument versterkt.
Bescherming van de geconstateerde waarden in het huidige bestemmingsplan
Bebouwing
Volgens het thans geldende bestemmingsplan "Buitengebied" heeft het gebied de bestemming
Een samenstel van conserverende bouwvoorschriften en een gedetailleerde plankaart zorgt voor
"Bijzondere doeleinden, gast- en verpleeginrichtingen met bijbehorend terrein".
instandhouding van het oorspronkelijke beeld van de bebouwing zonder dat deze kunnen worden
vergroot/uitgebouwd.
Bebouwing
Ter bescherming/versterking van aanwezige structuren en waarden kan nieuw geprojecteerde be-
Op de bestemmingsplankaart is een zeer ruim bouwvlak aangegeven waarbinnen maximaal 13 %
bouwing middels exacte bouwvlakken en bebouwingsvoorschriften planologisch mogelijk gemaakte
van de oppervlakte van dit bouwvlak aan bebouwing gerealiseerd kan te worden. Dit percentage
te worden. In de huidige fase waarin het plan zich bevindt dient uiteraard enige flexibiliteit. Te wor-
betekent in relatie tot de bestaande bebouwing een in de voorschriften genoemde extra bouwca-
den ingebouwd voor de exacte invulling van de bouwvlakken
paciteit van circa 4545 m2. Op de plankaart zijn de monumenten niet aangemerkt omdat deze toen
waarschijnlijk nog niet waren aangewezen. Sloop van bebouwing is in dit bestemmingsplan niet
Omgeving
beschermd middels een aanlegvergunningstelsel
De (bescherming tegen) kap van bomen is middels het bomenbeleid, het kapvergunningstelsel in
combinatie met de aanwijzing van de stedenbouwkundige structuur als gemeentelijk monument
Omgeving
op adequate wijze geregeld in de gemeente Zeist. Bescherming tegen aanplant van bomen en hees-
In het bestemmingsplan is voor het terreingedeelte buiten het op de plankaart aangegeven bouwvlak
ters op plaatsen waar behoud van zichtlijnen en openheid wenselijk is kan worden ondergebracht
een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor de aanleg van wegen, paden en overige terreinver-
in een aanlegvergunningstelsel waarbij slecht vergunning wordt verleend voor aanplant indien dit
hardingen alsmede voor zowel de kap als de aanleg van bosschages en het egaliseren, ophogen
past in de cultuurhistorische context. De (bescherming tegen) aanleg van allerlei verhardingen voor
en afgraven van gronden. Vergunning kan uitsluitend worden verleend indien de landschappelijke,
diverse doeleinden kan eveneens worden ondergebracht in een aanlegvergunningstelsel met gelijk-
natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.
soortige voorwaarden.
Binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak zijn bovengenoemde werkzaamheden op grond
van het bestemmingsplan onvoorwaardelijk toegestaan.
74 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 75

Archeologie
Omgeving
De archeologie is in het bestemmingsplan niet expliciet beschermd. Het bovengenoemde aanleg-
Voor het gebied dat onderdeel uitmaakt van de historische stedenbouwkundige structuur kan een
vergunningstelsel noemt weliswaar de cultuurhistorische waarden maar daarmee is niet expliciet
aanlegvergunningstelsel worden opgenomen waarmee de in hoofdstuk 4. genoemde cultuurhistori-
aangegeven dat archeologische waarden daarbij zijn inbegrepen.
sche waarden worden beschermd c.q. versterkt. Het aanlegvergunningstelsel dient, ter voorkoming
van onnodig dubbele bescherming, met name die werkzaamheden te benoemen die niet reeds op
Algemene conclusie:
grond van een ander regime (zoals bijvoorbeeld de kapverordening) worden beschermd.
In het thans geldende bestemmingsplan zijn de aanwezige cultuurhistorische en archeologische
waarden planologische onvoldoende beschermd. Een actualisatie van de bestemmingsregeling is
Archeologie
noodzakelijk. Met de opstelling van het nieuwe bestemmingsplan voor Den Dolder kan hier een
Het op figuur 25 aangegeven gebied (in groen en geel) kan op de plankaart worden bestemd als
gevolg aan worden gegeven.
gebied met een hoge archeologische verwachting. In de voorschriften zou opgenomen kunnen
worden dat hier uitsluitend met vrijstelling mag worden gebouwd. Vrijstelling kan worden verleend
Bescherming van de geconstateerde waarden in het nieuwe conceptbestem-
indien wordt aangetoond dat er geen archeologische waarden in het geding zijn, danwel de aange-
mingsplan
trof en archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast. Voor dit gebied kan tevens een
aantal gebruiksverboden en een aanlegvergunningstelsel worden opgenomen die de archeologische
Suggesties voor een nieuwe bestemmingsregeling.
waarden in voldoende mate beschermen.
Zowel de plankaart als de voorschriften kunnen gedetailleerd van karakter zijn. In de toelichting
kunnen de archeologische waarden en de in hoofdstuk 4.4 genoemde cultuurhistorische waarden
concreet beschreven en aangeduid worden. Deze informatie kan worden gebruikt als hulpmiddel bij
toetsing en afweging van verzoeken om vrijstellingen en aanlegvergunningen.
Bebouwing
De bestaande bebouwing zou zowel op de plankaart als in de bouwvoorschriften kunnen worden
"bevroren". Gebouwen met een monumentenstatus kunnen op de plankaart worden aangeduid.
Voor de op de plankaart aan te duiden beschermingwaardige bebouwing kunnen sloopwerkzaam-
heden in de voorschriften gekoppeld worden aan een aanlegvergunningstelsel
Nieuw geprojecteerde bebouwing zou exact op de plankaart kunnen worden aangegeven, gekop-
peld aan concrete bouwvoorschriften omtrent de gewenste bouwmassa en verschijningsvorm.
Toekomstige bouwmogelijkheden anders dan in de komende integrale planontwikkeling zou daarna
kunnen worden uitgesloten.
76 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 77


6.4 Planbegeleiding
6.5 Richtlijnen architectuur
en supervisie
en welstand
De gemeente Zeist wordt geadviseerd om bij de uitwerking van het masterplan voor het gebied een
. De nieuwe gebouwen krijgen een ingetogen, terughoudende en onderling verwante verschijnings-
architectonisch en stedenbouwkundig supervisor aan te stel en, die de ontwikkeling van bouwplannen
vorm, als een nieuwe bouwlaag die over het terrein wordt gelegd.
begeleidt, en de plannen uiteindelijk voorlegt aan de welstandscommissie en/of de monumenten-
. De nieuwe gebouwen gaan een rustige achtergrond vormen; de monumenten mogen daarvóór
commissie. Ook begeleiding van de inrichtingsplannen voor de openbare ruimte zouden hierin
als individuen in het oog springen en worden niet `'overschreeuwd'' door nieuwbouw.
betrokken dienen te worden.
. De nieuwe gebouwen bestaan uit eenvoudige, niet-complexe volumes.
Bij het aanstellen van een supervisor zal de gemeente zorg moeten dragen voor een heldere taak-
. Eenheid in: materiaalgebruik, kleur en/of vorm van de volumes.
omschrijving en een goede afstemming tussen supervisie en welstands- en monumentenbeoordeling.
. De (langgerekte) nieuwbouw aan de zuidzijde van de Brink dient zicht op het verdiept gelegen
stuifduintjeslandschap en op paviljoen Spinoza mogelijk te houden, ofwel door het blok op te
Uitgangspunten hierbij kunnen zijn:
delen, of door, op bepaalde plekken, een transparante vormgeving.
. De nieuwe gebouwen hebben, zoals alle bestaande bebouwing, een hoogwaardig vormgegeven
. De supervisor formuleert de welstandscriteria voor het gebied;
entree op maaiveldniveau direct aan de weg.
. De gemeenteraad stelt de welstandscriteria vast die vervolgens gelden als leidraad voor de plan-
. De te vernieuwen aanbouw achter het hoofdgebouw wordt opgetrokken in baksteen, om de
begeleiding door de supervisor én als kader voor de welstandsbeoordeling;
schakel te kunnen blijven vormen tussen beide delen van de Vijverhof.
. Tijdens het planvormingsproces is de supervisor verantwoordelijk voor tijdige rapportage aan de
welstandscommissie en de monumentencommissie. Controversiële kwesties kunnen leiden tot
vooroverleg van de welstands- en/of monumentencommissie met de ontwerper, de planindiener
en/of de supervisor.
. Bij de bouwvergunningaanvraag vindt de definitieve beoordeling door de welstands- en/of
monumentencommissie plaats waarbij de commissie rekening houdt met wat er tijdens het
begeleidingsproces is besproken en besloten.
. De in de volgende paragraaf opgenomen criteria vormen de aanzet voor de vast te stellen criteria.
Indien voor een bouwactiviteit zowel een monumentenvergunning als een bouwvergunning benodigd
is, vindt advisering op grond van artikel 11 van de Monumentenwet plaats. Dit kan gescheiden van,
gecombineerd met of geïntegreerd met de advisering op grond van artikel 12 van de Woningwet.
De gemeente wordt geadviseerd om het monumentenadvies te laten opstellen voorafgaand aan het
welstandsadvies.
Figuur 26; doorzicht vanaf toekomstige brink op Spinoza en het landschap
78 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 79


6.6 Richtlijnen buitenruimte
. De historische structuur van het terrein wordt versterkt door het herstellen van de lanenstructuur
met laanbeplanting waar deze (gedeeltelijk) is verdwenen. De continuïteit en herkenbaarheid van
de historische middenas (inclusief laanbeplanting) gaat voor de individualiteit van de verschillende
openbare ruimtes.
. De spontane groenopslag kan plaatselijk worden verwijderd met name om dichtgegroeide zicht-
relaties te herstellen. Hierbij is uiteraard afstemming nodig wat betreft de ecologische waarden.
. Het contrast tussen het `ontworpen groen' en het `natuurgroen' wordt gehandhaafd en door
selectieve verwijdering en herstel mogelijk versterkt..
. De buitenruimte wordt zo min mogelijk verder versteend.
. In de buitenruimte in en aan de middenas wordt zo min mogelijk geparkeerd.
. Het idee van vrijstaande paviljoens in het landschap aan de dwarsassen blijft gehandhaafd;
er worden geen particuliere tuinen aangelegd.
. Het natuurlijke reliëf en de bestaande hoogteverschillen worden gehandhaafd en tot uitgangspunt
genomen. Waar wegen en paden door stuifduintjes snijden worden de hoogteverschillen zichtbaar
gelaten of zelfs geaccentueerd. Hetzelfde geldt bij ingangen van parkeergarages en bij parkeer-
plaatsen.
Figuur 27; parkeren aan de middenas?
80 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 81

Bronnen
82 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve

Literatuur
Kaarten
Barends, S. e.a. (red.), Over hagelkruisen, banpalen en pestbosjes. Historische landschapselemen-
Situatietekening terrein WA Hoeve, Poggenbeek 1909
ten in Nederland. Utrecht 1993.
Situatietekening terrein WA Hoeve, Mertens 1928
Blijdenstein, R., Zeist, groei en bouw. Den Dolder en Bosch en Duin. Zeist 1984.
Situatietekening terrein WA Hoeve, Mertens 1930
Blijdenstijn, R. en M. Kooiman, Architectuur en stedebouw in de provincie Utrecht 1850 ­ 1940.
Huistelefoonnet Willem Arntsz Hoeve, 1:1000, jr. onleesbaar, na 1937.
Zwolle/Zeist 1996.
Waterpaskaart van een gedeelte van het terrein gelegen aan de Doldersche Weg 1 à 1000. Ne-
Bottinga, S., De Willem Arntsz Hoeve, Den Dolder. Een bouwgeschiedenis in foto's. Utrecht/Den
derlandsche Heidemaatschappij, niet-gedateerd, ca. 1906.
Dolder 1983.
Topografische kaart 1:25.000, nr. 427, herzien in 1906, uitg. 1910.
Van Doesburg, J. & E. Drenth, Waardestellend archeologisch onderzoek te Den Dolder. Amers-
Topografische kaart 1:25.000, nr. 427, verkend 1929, uitg. 1944.
foort, in voorbereiding
Topographische en Militaire Kaart 1:50.000, ca. 1850.
Groningen, C.L. van, De Utrechtse Heuvelrug. De Stichtse Lustwarande, buitens in het groen.
Geologische overzichtskaart van Nederland (1:600.000), NITG-TNO
Zwolle/Zeist 1999.
Geomorfologische kaart (1:50.000), kaartblad 32 (Amersfoort), STIBOKA
Hut, L.J., A. Poslarsky, H. Loois, B. van der Woord, De Willem Arntsz Stichting 1461 ­ 1961.
Bodemkaart (in Archis), Alterra (attachment: bodem.pdf)
Utrecht 1961.
HGN-kaart (in Archis), Alterra (historisch landgebruik) (att. landgebruik_1900.pdf)
Kooiman, M., Een jongere nederzetting: de Willem Arntsz Hoeve, Den Dolder. Utrecht, 1988 (deel
LGN4-kaart (in Archis), Alterra (huidig landgebruik) (att. landgebruik_nu.pdf)
artikel, niet gepubliceerd).
Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW, 2e generatie), ROB (att. IKAW.pdf)
Locher, W.P. & H. de Bakker (red.), Bodemkunde van Nederland. Den Bosch, 1990
Kadastrale kaart uit ca. 1830, Gemeente Zeist, sectie A, Den Dolder, 3e blad, www.dewoonomge-
Mens, N., De architectuur van het psychiatrisch ziekenhuis. Wormer 2003.
ving.nl
De Mulder, E.F.J., Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E., De ondergrond van
Kuiper's Gemeenteatlas, Gemeente Zeist, 1869, www.rat.de/kuiijsten/atlas/ut/zeist.gif
Nederland. Groningen/Houten 2003.
Wullink, A.J., Een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO), 1e fase, door middel van
bureau- en booronderzoek op de Willem Arntszhoeve te Den Dolder, gemeente Zeist (U.). ARC-rap-
port 2005-28. Groningen/Geldermalsen, 2005
Mrs. Th.Hanau en T. Brouwer, Juridisch planologische mogelijkheden voor de bescherming van
archeologische waarden, i.o.v. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort
01-12-2003
Bestemmingsplan Buitengebied, gemeente Zeist, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 juni
1982, gedeeltelijk goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 10 januari 1984.
84 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve
WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve 85

Colofon
Opdrachtgever
Gemeente Zeist
Uitvoering
Stichting Welstandszorg Noord Holland
i.s.m.
Muhren Urban Design, Leeuwarden
Beek & Kooiman Cultuurhistorie, Amsterdam
ARC, Groningen/Geldermalsen
John Dekker A&O; Waarland
86 WZNH Cher Willem Arntsz Hoeve