
Is een beeldkwaliteitplan een bruikbaar instrument voor het waarbor-
gen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied? Die vraag heeft
de Stichting Welstandszorg Noord-Holland ons gesteld als onderwerp
voor dit essay. Ons antwoord is: ja, op voorwaarde dat het op een goede
manier wordt ingezet. Wat dat inhoudt leest u in dit essay.
HET VERANDERENDE LANDSCHAP
Een essay over ruimtelijke kwaliteitszorg in het Noord-Hollandse buitengebied
Steef Buijs, Marlies van Diest, Egbert Stolk
februari 2007
1
HET VERANDERENDE LANDSCHAP
Een essay over ruimtelijke kwaliteitszorg in het Noord-Hollandse buitengebied
Steef Buijs Marlies van Diest Egbert Stolk
februari 2007
1

2
het veranderende landschap

Is een beeldkwaliteitplan een bruikbaar instrument voor het waarborgen
Conclusies
van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied? Die vraag heeft de
en
Stichting Welstandszorg Noord-Holland ons gesteld als onderwerp voor
aanbevelingen
dit essay. Ons antwoord is: ja, op voorwaarde dat het op een goede manier
wordt ingezet. Wat dat inhoudt werken we hierna uit. Samengevat komt
het neer op het volgende:
(1) het moet helder zijn waarvoor een beeldkwaliteitplan wordt gebruikt
De eerste vraag is: is een beeldkwaliteitplan een hulpmiddel om tot een
goed ontwerp te komen, of is het een hulpmiddel om te garanderen dat
een goed ontwerp ook goed wordt uitgevoerd? Voor beide is het geschikt,
maar het karakter ervan verschilt. De provincie Noord-Holland eist een
beeldkwaliteitplan bij een bestemmingsplan voor het buitengebied. Daar is dus
gebruik als ontwerphulpmiddel aan de orde. In de praktijk is dit vooral gericht
op bouwmogelijkheden. Wij bepleiten een bredere inzet: ook gericht op de
waterhuishouding, beplanting, natuur- en recreatieontwikkeling en dergelijke.
De provincie verwacht van gemeenten dat zij hun aan bestemmingsplannen
gekoppelde beeldkwaliteitplannen uitbouwen tot toetsingshulpmiddel. Daar
staan wij helemaal achter. Wil men daarbij de bredere inzet die wij bepleiten
realiseren, dan moet het gebruik als toetsingshulpmiddel niet alleen aan
bouwvergunningverlening worden gekoppeld, maar ook aan de verlening van
aanlegvergunningen. Bestemmingsplannen moeten voor cruciale ingrepen die
aanlegvergunningen expliciet eisen.
Naast het gebruik als ontwerp- of toetsingshulpmiddel zijn beeldkwaliteitplannen
ook nog in te zetten als hulpmiddel voor het beoordelen van subsidie-aanvragen
en als hulpmiddel voor het bewaken van de nakoming van kwaliteitsafspraken
in ontwikkelingscontracten. Beide toepassingen vinden we belangrijk, maar we
werken ze binnen het bestek van dit essay niet verder uit.
3

4
het veranderende landschap
(2) een beeldkwaliteitplan moet toekomstgericht zijn
Een uitsluitend conserverende benadering van kwaliteit is, gegeven de vele veranderingen die zich in het
buitengebied aandienen, zowel kansloos als ongewenst. Eerste uitgangspunt voor beeldkwaliteitplannen moet
zijn het in goede banen leiden van dynamiek, in de wijze waarop het buitengebied feitelijk functioneert, en
evenzeer in de manier waarop het wordt ervaren en gewaardeerd. Daarbinnen moet er ruimte zijn om elementen
van bijzonder cultuurhistorisch belang een strikte bescherming te geven, inclusief precieze regels voor de
behandeling van een ruimere context.
(3) voor de identificatie van kwaliteit is een pragmatische benadering de beste
Er zijn in de praktijk verschillende manieren gegroeid om te definiëren wat ruimtelijke kwaliteit is en om regels
te formuleren voor het beschermen of nieuw ontwikkelen ervan. Vaak wordt alles wat cultuur-historisch gezien
bijzonder is vanzelfsprekend als te beschermen bestempeld. Landschappen, beplantingselementen, bouwwerken
worden door regels behoed voor veranderingen en verstoring vanuit de omgeving. Er zijn ook benaderingen
die meer accent leggen op nieuwe ontwikkelingen. Die werken minder met regels en zijn meer gericht op het
proces en daaraan deelnemende partijen. Goed opdrachtgeverschap, een hoog niveau van ontwerpopleidingen,
zorgvuldige selectie van ontwerpers in relatie tot de aard van de opgave, actieve inzet van supervisoren en
welstandscommissies als onderdeel van goed georganiseerde besluitvorming, zijn hier belangrijke ingrediënten.
Naarmate in de ruimtelijke ontwikkeling het private initiatief een grotere rol gaat spelen, wordt de toets van
de markt belangrijker: wat goed afzetbaar is bewijst daarmee zijn kwaliteit. Er wordt tussen verschillende
benaderingen nogal eens ideologische strijd gevoerd. Wij vinden dat weinig vruchtbaar en zijn voorstanders van
een pragmatische mix die van geval tot geval het beste aansluit op de specifieke opgave.
(4) een beeldkwaliteitplan moet vroeg in het proces worden ingezet
Ruimtelijke kwaliteit moet vanaf het begin worden meegenomen. Dat geldt zowel voor ontwerp- als voor
toetsingsprocessen. Inzetten aan het eind betekent vrijwel altijd een suboptimaal resultaat. Het leidt, vooral bij
gebruik van het beeldkwaliteitplan als toetsingsinstrument, vaak tot een patstelling omdat in een vergevorderd
proces geen wijzigingen meer mogelijk zijn zonder dat fors tijdverlies optreedt. Daarvoor is meestal geen ruimte
en dan delft kwaliteit in de afweging tegen vertraging al gauw het onderspit. Welstandsbeoordeling van afgeronde
(bouw)plannen werkt wat dat betreft onbevredigend. Het is beter om een eerste welstandsbespreking al aan het
5

6
het veranderende landschap
begin van het proces te plannen, of om speciale supervisoren aan te wijzen die gedurende het hele proces voor de
kwaliteitszorg verantwoordelijk blijven en aan het eind het stokje aan het reguliere welstandstoezicht overdragen.
(5) het plangebied van een beeldkwaliteitplan moet goed worden afgebakend
Landschappelijke samenhang is het voornaamste criterium voor de keuze van een plangebied. Een duidelijke
eigen identiteit voor het geheel, wezenlijk verschillend van aangrenzende landschappen, maar tegelijk zo klein
mogelijk om onnodig logge organisaties met veel participanten te vermijden.
De provincie Noord-Holland biedt met haar identiteitsonderzoek een gedetailleerde indeling op basis van
landschap, cultuurhistorie en identiteit en geeft daarmee goede aanknopingspunten voor een dergelijke
afbakening. Met deze indeling zijn de landschapseenheden toch nog steeds meestal groter dan één gemeente.
Dan is het noodzakelijk dat gemeenten samenwerken en met elkaar een beeldkwaliteitplan maken, zowel voor het
ontwerp- als voor het toetsingstraject.
(6) een beeldkwaliteitplan moet inspelen op de basiskarakteristieken van het landschap
Als belangrijkste karakteristieken van een landschap in Noord-Holland zien wij er twee: de mate van openheid en
de mate van dynamiek. Dat levert vier basiscombinaties op: open landschappen met een hoge en lage dynamiek,
en besloten landschappen, eveneens met hoge en lage dynamiek.
Voor open landschappen met een hoge dynamiek (bijvoorbeeld de Haarlemmermeerpolder of de
Wieringermeerpolder) moet een beeldkwaliteitplan in de eerste plaats inzetten op sterke structuren: wegen met
boerderijen of lintdorpen, dijken, grote watergangen. De kracht ligt hier veelal in de beplanting die de wanden
vormt van grote open `kamers'. Mits goed ingepast in dergelijke beplanting hoeven aan bebouwing nauwelijks
eisen te worden gesteld, zelfs niet wanneer de bebouwing onder invloed van functionele veranderingen
beduidend omvangrijker en grootschaliger wordt dan in het verleden. Tegen schaalvergroting (waardoor de open
kamers nog groter worden) bestaat geen bezwaar. Schaalverkleining moet juist worden tegengegaan.
Ook in open landschappen met een lage dynamiek staat de structuur voorop. Door de lage dynamiek zijn veel
waardevolle cultuurhistorische elementen behouden gebleven. Daarbij past een `museale' benadering, zoals
bijvoorbeeld in de Beemster of de Schermer. Ook hier kan versterking van structuurelementen samen gaan met
inpassen van nieuwe ontwikkelingen, maar omvang en schaal daarvan zijn aan meer beperking onderhevig.
7

8
het veranderende landschap
Zowel schaalvergroting als schaalverkleining van de open ruimten is hier ongewenst. Bijzondere aandacht
vraagt natuurontwikkeling die niet tot landschappelijke verdichting of tot verstoring van strakke rechthoekige
landschapspatronen mag leiden.
Besloten landschappen met lage dynamiek vragen eveneens een museale benadering. Dat vereist precieze regels
voor architectuur en beplanting, al hoeven die niet altijd een slaafs kopiëren van oude vormen te betekenen.
Schaalvergroting en schaalverkleining in het landschap zijn beide ongewenst.
Besloten landschappen met hoge dynamiek tenslotte kunnen weer meer vrijheid verdragen in architectonische
vorm en stijl en in gebruikte materialen. Schaalvergroting is ongewenst, maar schaalverkleining, bijvoorbeeld als
gevolg van agrarische nevenactiviteiten of van het toelaten van burgerbebouwing, hoeft weinig bezwaren op te
roepen.
In alle gevallen kan het beeldkwaliteitplan zowel als ontwerpmiddel als toetsingsmiddel worden ingezet. Maar
omdat het karakter van beide wezenlijk verschilt ontstaat al gauw spanning wanneer wordt geprobeerd de twee
functies in één plandocument te verenigen. Wordt hier toch voor gekozen dan moet helder zijn in welk deel welke
functie primair aan de orde is, en hoe de moeilijke stap van planvormingsondersteuning naar toetsing wordt
gezet.
(7) twee verdere voorwaarden
Van hetgeen we hierboven aanbevelen vinden we de ontwikkelingsgerichtheid en de vroegtijdigheid heel
wezenlijk. Maar de aanpak zal pas echt werken als er nog aan twee verdere fundamentele voorwaarden wordt
voldaan.
Ten eerste is een wettelijke verankering onmisbaar. Enerzijds om, als er in de praktijk lastige problemen opduiken,
afglijden naar te makkelijke concessies te voorkomen, anderzijds om `free riders' de pas af te snijden. Wat dat
betreft is voor het beeldkwaliteitplan gekoppeld aan een bestemmingsplan nog onzeker hoe de nieuwe wet
Ruimtelijke ordening gaat uitwerken. Lukt het de provincie, gebruik makend van haar verordenende bevoegdheid,
dit vereiste in de nieuwe situatie even effectief te hanteren? Voor het beeldkwaliteitplan als toetsingshulpmiddel
is de relatie met de aanlegvergunning essentieel. Voor ingrepen anders dan bebouwing, die wel de kwaliteit
raken moet een aanlegvergunning in een bestemmingsplan worden geëist, en moet worden geregeld dat het
welstandstoezicht daarbij dezelfde positie krijgt als bij de bouwvergunning.
Ten tweede en dat is uiteindelijk de allerbelangrijkste moet er bij betrokken partijen ambitie en commitment
zijn. Als de grondhouding is dat kwaliteit `soft' is en als het erop aan komt ondergeschikt aan `harde' financieel-
9

10
het veranderende landschap
economische overwegingen, als het idee is dat streven naar kwaliteit alleen maar extra tijd en geld kost, en dat
kwaliteit toch niet objectief is vast te stellen en dus een kwestie blijft van `zoveel hoofden, zoveel zinnen', dan is
kwaliteitsbeleid zinloos.
(8) de rol van welstandstoezicht en van de stichting Welstandszorg Noord-Holland
Willen onze aanbevelingen maximaal effect sorteren, dan vraagt dat aanpassing van het welstandstoezicht, zowel
op het niveau van de afzonderlijke commissies, als op het niveau van de overkoepelende stichting Welstandszorg
Noord-Holland. Voor de afzonderlijke commissies gaat het om drie zaken: de disciplinaire samenstelling, de
afbakening van het werkgebied, en de overschakeling van een reactieve naar pro-actieve werkwijze.
Nu zijn het vooral architecten die zitting hebben in welstandscommissies. Dat zullen ook stedenbouwkundigen en
landschapsontwerpers moeten worden. Nu zijn het vooral overwegingen van bestuurlijke samenhang die bepalen
welke gemeenten samen een welstandscommissie hebben. Daarbij zullen overwegingen van landschappelijke
samenhang een minstens zo belangrijke rol moeten gaan spelen. Nu komen in welstandscommissies als regel
afgeronde plannen aan de orde. Dat moment zal naar voren moeten worden gehaald. Zoals we al aangaven kan
dat in de vorm van regelmatige welstandsagendering vanaf het begin van het proces, maar ook door het aanstellen
van aparte supervisoren, een kwaliteitsteam of vergelijkbare constructies die voor continue kwaliteitsbegeleiding
zorgen en die aan het eind het `stokje overdragen' aan de welstandscommissie.
De stichting Welstandszorg Noord-Holland zal de welstandscommissies in deze nieuwe rol en werkwijze kunnen
ondersteunen, onder meer door een pool te vormen waaruit kan worden geput voor leden met een meer
stedenbouwkundige of landschappelijke achtergrond. Verder kan de stichting een rol spelen bij het bevorderen
van goed opdrachtgeverschap, in het algemeen en in het bijzonder gericht op de specifieke kenmerken
van het buitengebied. En de stichting kan voor inhoudelijke verdieping zorgen, in de discussie over criteria
en normen voor ruimtelijke kwaliteit, de afbakening van plangebieden, de wijze waarop wordt ingespeeld
op landschappelijke karakteristieken, enzovoort. Daarbij hoort het organiseren van publiek debat en het
samenwerken met opleidingsinstituten.
Het ligt voor de hand dat de stichting bij dit alles nauw samenwerkt met de provincie Noord-Holland (in het
bijzonder de provinciale adviseur ruimtelijke kwaliteit), met zusterorganisaties in andere provincies, met
instellingen als Architectuur Lokaal, het college van Rijksadviseurs, en dergelijke.
11

12
het veranderende landschap

probleemstelling
In steden en in de bebouwde kom van dorpen wordt veelvuldig met
beeldkwaliteitplannen gewerkt als middel om ruimtelijke kwaliteit te waarborgen.
Het gaat als regel om gebieden van relatief beperkte omvang, binnen het territorium
van één gemeente. Voor zo'n gemeente is het goed doenlijk om per gebied een
beeldkwaliteitplan op te stellen, als toespitsing van een Welstandsnota die meer
algemene uitspraken doet over de gemeente als geheel of grote onderdelen daarvan
(bijvoorbeeld stadsdelen in de grote steden). Vaak is daarbij een beeldkwaliteitplan
meer ontwikkelingsgericht terwijl in de Welstandnota de nadruk meer ligt op
conservering.
In het buitengebied zijn het samenhangende landschappen die het kader voor
de kwaliteitszorg moeten bieden, en die strekken zich als regel uit over meerdere
gemeenten, maar bestrijken ook weer niet zo'n groot gebied als een heel
provinciaal streekplan. Een passend beeldkwaliteitplan kan niet goed door een
enkele gemeente worden ontwikkeld, maar ook niet op eigen kracht door alleen de
provincie. Het vereist samenwerking van meerdere gemeenten en de provincie. Dit
is het eerste probleem dat men tegenkomt bij het maken van een beeldkwaliteitplan
voor het buitengebied. Het is eigenlijk een breder probleem, want er zit in de
hele Nederlandse ruimtelijke ontwerp- en ordeningspraktijk een gat tussen het
gemeentelijke en provinciale niveau, zowel bestuurlijk als disciplinair.
In projectorganisaties die gedurende een beperkte periode concrete opdrachten
uitvoeren is er vaak wel samenwerking tussen verschillende belanghebbenden
op regionaal niveau. Niet alleen gemeenten en provincie, ook partijen
als waterschappen, natuur- en landschapsorganisaties, instellingen voor
monumentenzorg, grote particuliere grondbezitters, doen veelal mee. Het gaat
fout in de periode daarna als er geen orgaan is dat interdisciplinaire toetsing en
handhaving van plannen op zich neemt.
Een tweede probleem is gebrek aan juridische middelen (of in ieder geval gebrek aan
ervaring met een goed gebruik ervan) om, in aanvulling op bestemmingsplannen,
13

14
het veranderende landschap
in het landelijk gebied de ruimtelijke kwaliteit effectief aan te sturen. De gevestigde stedelijke praktijk van
welstandstoezicht met formele welstandsnota's is niet zomaar over te planten naar het buitengebied. De landelijk
overheid die een voorbeeldfunctie zou kunnen vervullen trekt zich terug en geeft de verantwoordelijkheid aan
gemeenten, maar deze kunnen zoals gezegd niet makkelijk buiten hun grenzen kijken.
Ondertussen voltrekken zich in het buitengebied ingrijpende veranderingen. In de grondgebonden landbouw
kunnen boeren alleen overleven wanneer zij drastisch moderniseren en daarbij de schaal van hun bedrijf fors
weten te vergroten. Boeren voor wie dat geen optie is moeten op zoek naar neveninkomsten uit het exploiteren
van campings of boerderijwinkels of het aanbieden van allerlei vormen van zorg. Of ze moeten proberen
contracten af te sluiten die een beloning opleveren voor een natuur-vriendelijke bedrijfsvoering. In veel gebieden
moet de waterhuishouding worden aangepakt, om grotere hoeveelheden regenwater te kunnen bergen, niet
alleen voor het eigen gebied maar ook voor aanpalend stedelijk of kassengebied, en om verdere inklinking
van de bodem tegen te gaan. Voor de landbouwproductie is dat een extra handicap maar er zijn ook nieuwe
mogelijkheden inkomen te halen uit het verlenen van `waterdiensten'. Burgerbewoning neemt sterk toe, evenals
niet-agrarische bedrijvigheid. Hier rukken de rood-voor-groen en ruimte-voor-ruimte constructies op. Die staan
bebouwing toe mits gecompenseerd door de ontwikkeling van nieuw groen en water, of door verwijderen van
storende oude bebouwing (kassen, schuren). De versnippering door nieuwe infrastructuur gaat ondertussen door.
Steeds meer grond wordt geheel aan de landbouw onttrokken en krijgt een exclusieve natuur- of recreatiefunctie.
Doordat zoveel tegelijk verandert en de functionele diversiteit zo toeneemt, werkt een sectorbenadering,
bijvoorbeeld alleen vanuit de landbouw, niet meer om een goede inrichting te waarborgen. Er is een benadering
nodig die verschillende sectoren integreert. Bestemmingsplannen bieden zo'n integrale benadering.
Toch vormen ze in de huidige praktijk evenmin een voldoende effectief middel om ruimtelijke kwaliteit te
waarborgen. Ze regelen in de eerste plaats voor welke doelen gronden mogen worden gebruikt en leggen
volumes vast voor aan die doelen gerelateerde bebouwing. Dat is, als het om ruimtelijke kwaliteit gaat, te
beperkt. We hebben aanvullende instrumenten nodig, die breder werken, en daarbij kunnen welstandsnota's en
beeldkwaliteitplannen, mits aangepast aan de specifieke eisen van het buitengebied, een belangrijke rol spelen.
De grotere schaal die voortkomt uit een keus voor samenhangende landschappelijke eenheden leidt tot een
ander detailniveau en mate van abstractie dan we in stedelijke gebieden gewend zijn. Het zijn ook andere spelers
die we in het buitengebied tegenkomen. De rol van de ruimtelijke ordening is minder dominant; disciplines als
landschap, cultuurhistorie, ecologie spelen een grotere rol. Verder zullen aanpak en uitwerking per type landschap
verschillen. Grootschalige, eenduidige open landschappen vragen bijvoorbeeld een heel andere benadering dan
kleinschalige, besloten parklandschappen.
15

16
het veranderende landschap

Genieten van stads- en landschapsschoon
het belang van
In de loop van de geschiedenis spelen verschillende motieven een rol bij het
ruimtelijke kwaliteit
nastreven van ruimtelijke kwaliteit. Het oudste is wellicht gewoon het plezier van
de bewoners. In Nederlandse steden is al vanaf de Middeleeuwen naast allerlei
utilitaire overwegingen de schoonheid van de stad een zelfstandig inrichtingsdoel
dat door middel van publieke reglementering moet worden bereikt. Op het
platteland maakt het streven naar schoonheid zijn entree vanaf het moment dat
welgestelde stedelingen buitenhuizen beginnen te bouwen en gaan investeren
in landbouwontginningen. Het is vanzelfsprekend eerst nog vooral een elite die
zich interesseert voor dergelijk stads- en landschapsschoon. Toch is die elite in
onze republikeinse handelseconomie al vanaf het begin breder, meer gespreid
dan in landen met een absolute monarchie en een op het hof en de adel gerichte
economie. Bij de bredere spreiding horen minder spectaculaire hoogtepunten. Maat
en schaal van adellijke kastelen langs de Loire zijn van een heel andere orde dan
die van koopmanslandhuizen aan de Vecht. Er is wat dat betreft meer verwantschap
met Noord-Italië dat eveneens een handelseconomie en een losse, decentrale
politieke structuur kende, dan met Frankrijk, terwijl Engeland een tussenpositie lijkt
in te nemen.
Het verschil werkt door in de manier waarop buitenverblijven in hun
landschappelijke omgeving geïntegreerd zijn. Het landschapsschoon wordt
daardoor gedemocratiseerd. Niet alleen de elite profiteert van de inspanningen om
het landschap te verfraaien. Gewone bewoners en passanten kunnen meegenieten,
en deden dat blijkens menig zeventiende-eeuws landschapsschilderij ook
daadwerkelijk. Bovendien is in deze periode in Nederland, in het bijzonder in het
Westen met zijn specifieke waterproblematiek, veel schoonheid tot stand gebracht
als onbedoeld, maar niettemin effectief bijproduct van een rationeel aangepakte
landbouwkundige ontginning. Ook dat was schoonheid die voor iedereen te
genieten viel.
17

18
het veranderende landschap
Respect voor de geschiedenis en voor de natuur
Vanaf het eind van de zeventiende eeuw neemt de dynamiek in de ontwikkeling van stad en landschap sterk af,
totdat vanaf het midden van de negentiende eeuw weer grote veranderingen optreden. Het spoorwegnet wordt
aangelegd. Er worden nieuwe havens en kanalen gegraven. De bestaande steden in het Westen ontwikkelen
grootschalige industriële activiteiten. In het Oosten en Zuiden van het land ontstaan nieuwe fabriekssteden. In
Limburg de kolenmijnen. Het beschikbaar komen van kunstmest betekent een revolutie voor de landbouw.
Deze veranderingen brengen een tweede motief naar voren: de zorg dat historische kwaliteiten van Nederlandse
steden en landschappen ten offer vallen aan lelijke, smerige, grofschalige ingrepen voor de aanleg van haven- en
industriecomplexen en van zware infrastructuur. Er ontstaat een beweging die historisch erfgoed tegen dergelijke
ingrepen wil beschermen, en die geleidelijk daarin ook steeds meer de bescherming van de natuur gaat betrekken.
Natuur is overigens in het volledig ontgonnen en zwaar op het water bevochten Nederland een betrekkelijk begrip.
Het gaat vooral om natuur in symbiose met traditionele cultivering, maar die heeft juist een grotere biodiversiteit
opgeleverd dan het geval geweest zou zijn wanneer de natuur niet door mensenhanden was aangeraakt.
Bovendien draagt de biodiversiteit op een eigen manier bij aan de schoonheid van het cultuurlandschap, door
wegbermen, akkerranden en slootkanten, heggen en houtwallen, geriefbosjes en overhoeken, kades en dijken te
stofferen met vaak opvallende bloeiende planten en boeiende dieren. Ook dit tweede motief begint elitair, maar
verbreedt zich al snel tot het, vandaag de dag, geldt voor miljoenen Nederlanders.
Nieuwe kwaliteit maken
Met de opkomst van de bescherming van erfgoed en natuur ontstaat ook de behoefte nieuwe kwaliteit te maken.
De veranderingen van de late negentiende eeuw zijn zo groot, en versnellen zozeer gedurende de hele twintigste
eeuw, tot nu toe, dat evident is dat beschermen van bestaande, historisch overgeleverde kwaliteit niet genoeg
is. Ook aan het nieuwe moeten kwaliteitseisen worden gesteld. Dat begint in de steden, bij het omvormen
van geslechte stadswallen in lommerrijke parken en bij de aanleg van nieuwbouwwijken voor welgestelde
bewoners. In de eerste helft van de twintigste eeuw breidt zich dat, gebaseerd op de woningwet, uit naar alle
stadsuitleg. De grote stadsuitbreidingen van Berlage, Dudok, Witteveen of Van Eesteren en de na-oorlogse
wederopbouwplannen zoals die van Van Traa voor de Rotterdamse binnenstad, zijn hier de lichtende voorbeelden.
19

20
het veranderende landschap
Tegelijk doet het esthetische ontwerp van nieuwe ontwikkelingen ook zijn intrede in het buitengebied, als
kwaliteit van grootschalige ruilverkavelingen en ontginningen, culminerend in het landschapsontwerp van de
IJsselmeerpolders. Naarmate de twintigste eeuw vordert krijgen ook grote industriële en logistieke complexen
esthetische ambities: Europoort-Botlek-Maasvlakte, Schiphol, treinstations, autosnelwegen, bruggen en sluizen,
windmolenparken, enzovoort.
Er blijft overigens gedurende deze hele periode een kloof bestaan tussen degenen die ruimtelijke kwaliteit
nastreven door het beschermen van bestaande waarden, en degenen die ruimtelijke kwaliteit vooral tot
stand willen brengen als resultaat van nieuwe ontwikkelingen. Onder de eerste groep zijn er velen die nieuwe
ontwikkelingen per definitie lelijk en storend vinden; onder de tweede velen die in bescherming van het
bestaande alleen maar functioneel ongefundeerde, romantische nostalgie zien.
Internationale concurrentiekracht
Ruimtelijke kwaliteit is inmiddels vanzelfsprekend van belang voor mensen die in een gebied wonen, er werken, of
op bezoek komen. Naarmate het inkomens- en opleidingsniveau stijgt wordt dit belang door betrokkenen sterker
ervaren en indringender naar voren gebracht. Maar dat is het niet alleen. Ruimtelijke kwaliteit wordt ook en
daarmee komt het meest recente motief naar voren naast de traditionele beschikbaarheid van vestigingslocaties
en infrastructuur, steeds belangrijker voor de internationale concurrentiekracht van ons land. Over het algemeen
geldt dat er een opeenvolging is van factoren die economisch succes in internationaal verband bepalen. Weinig
ontwikkelde economieën zijn sterk afhankelijk van fysieke factoren als klimaat, bodemvruchtbaarheid en
aanwezigheid van delfstoffen. In hoeverre deze factoren daadwerkelijk in welvaart kunnen worden omgezet
hangt vervolgens vooral af van het elementaire opleidingsniveau van de bevolking en van eveneens elementaire
gezondheids- en milieuzorg, en daarna van de kwaliteit van de water- en energievoorziening en de transport- en
telecommunicatie-infrastructuur. Weer een stadium verder wordt hoger onderwijs belangrijk, als onderdeel van
een hoog ontwikkelde kennisinfrastructuur, samen met culturele rijkdom en diversiteit, goed bestuur en, waar we
het hier over hebben, de algemene kwaliteit van de leefomgeving. Economieën die op deze laatste factoren hoog
scoren zijn nauwelijks meer van de oorspronkelijke fysieke factoren afhankelijk voor hun verdere ontwikkeling.
De kwaliteit van de leefomgeving laat zich verder uiteenleggen in allerlei deelaspecten. Voor een belangrijk deel
hebben die betrekking op de stad, maar ook de kwaliteit van het buitengebied, als groen en rustig contrast met
21

22
het veranderende landschap
het hectische stedelijke leven, legt veel gewicht in de schaal. Gebieden waar het verstedelijkingspatroon vanouds
wordt gekenmerkt door netwerken van elk op zich niet al te grote steden hebben daarbij een voorsprong op
klassieke centralistische metropolen. In netwerkmetropolen als de Randstad, het Rijn-Ruhrgebied, of Noord-Italië
is het veel makkelijker stedelijke en landelijke leefkwaliteit elkaar te laten versterken dan in mega-concentraties
als Londen of Parijs. Dit geldt bij uitstek voor Noord-Holland met zijn combinatie van zeer sterk verstedelijkte
gebieden als Amsterdam en Schiphol, en landelijke gebieden als Waterland, de historische droogmakerijen, of de
Kop van Noord-Holland.
Nieuwe kwaliteit in `retrostijl'
Ondertussen lijkt zich een omkering te voltrekken in de verhouding tussen bescherming van bestaande kwaliteit
en het ontwikkelen van nieuwe kwaliteit. Aanvankelijk sprak het vanzelf dat nieuwe kwaliteit werd ontwikkeld
in typisch `moderne' vormen, als uitdrukking van de immer voortschrijdende economische, sociale en culturele
vooruitgang. Beschermers van bestaande waarden moesten zich, zoals eerder gezegd, vaak verdedigen
tegen kritiek op hun romantisch-nostalgische, het verleden verheerlijkende en de vooruitgang afwijzende
houding. Inmiddels zijn in de `belevingseconomie' moderne vormen uit de mode geraakt en is reproductie van
oude vormen, eclecticistisch puttend uit vaak willekeurige historische perioden en stijlen immens populair
geworden. Het zijn nu de overgebleven modernisten die in de verdediging zijn gedrongen. Uiteraard profiteert
de bescherming van het `echte' verleden mee van deze opbloei van de `heruitgevonden' geschiedenis, en dat is
winst. Maar het verdwijnen van het vermogen om bij eigentijdse ontwikkelingen eigentijdse vormen te vinden
kan niet anders worden gezien dan als verlies. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid zou van het eerherstel van de zorg voor
bestaande waarden goed gebruik moeten maken en zich tegelijkertijd tot doel moeten stellen de ontwikkeling van
nieuwe, eigentijdse waarden, opnieuw tot speerpunt van het ruimtelijk ontwerp te maken.
Eenzijdige overheidsafhankelijkheid: steeds knellender financiële tekorten
In Nederland is voor het realiseren van ruimtelijke kwaliteit de overheidsrol altijd groot geweest, voor
het buitengebied in wisselwerking met een economisch sterke landbouw die goed weerstand bood aan
verstedelijkingsdruk en aan het binnendringen van oneigenlijke, het landschap aantastende niet-agrarische
activiteiten. De landbouw is die autonome kracht echter aan het verliezen, en de overheid heeft in toenemende
23

24
het veranderende landschap
mate budgetproblemen. Wanneer het niet lukt andere partijen te interesseren voor het belang van de kwaliteit van
het buitengebied, en die partijen ook mee te laten investeren, zal het met de kwaliteit snel bergafwaarts gaan. We
zullen op zoek moeten naar nieuwe partners.
Het ligt voor de hand eerst te kijken naar de noodzakelijke aanpassingen van de waterhuishouding. Voorkomen
van overstromingen en wateroverlast dient een zo elementair belang dat de financiering daarvan, hetzij uit
overheidsbegrotingen hetzij uit hogere waterschapslasten uiteindelijk nooit een probleem kan zijn. Er moet
alles aan worden gedaan om de waterhuishoudkundige veranderingen niet geïsoleerd door te voeren, maar
te laten bijdragen aan de algemene ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. De tweede voor de hand
liggende zoekrichting ligt in het stedelijk medegebruik van het landschap. Dat kan recreatief zijn, het kan
ook verder gaan, om bewoning en vestiging van werkfuncties. Vooral ruimte voor wonen en werken kan veel
ontwikkelingsinkomsten genereren en overheden zullen manieren moeten vinden om die voor een belangrijk
deel ten goede te laten komen aan het beschermen van bestaande kwaliteit en de ontwikkeling van nieuwe. Er
loopt hier een dunne scheidslijn tussen een stedelijke invloed, die door de wijze waarop opbrengsten in het
landschap worden geïnvesteerd, positief uitwerkt, en een stedelijke invloed die net te zwaar is, en daardoor, alle
investeringen in groen ten spijt, toch per saldo een negatief effect heeft. Het kwaliteitsbeleid zal deze grens, die
zo makkelijk onomkeerbaar wordt overschreden, scherp moeten bewaken.
Samenvattend: wat moet een kwaliteitszorgsysteem allemaal bieden
Een succesvol systeem van ruimtelijke kwaliteitszorg garandeert in de eerste plaats bewoners en bezoekers
plezier in hun leefomgeving, weet daarbij belangrijk cultureel en natuurlijk erfgoed effectief te beschermen, is
bovendien in staat nieuwe vormen te scheppen voor nieuwe ontwikkelingen, en spreekt tenslotte niet alleen de
eigen bevolking aan maar ook internationale kenniswerkers en `decision makers' die over grote investeringen en
bedrijfsvestigingen gaan.
25

26
het veranderende landschap

Verschillende manieren om ruimtelijke kwaliteit te waarborgen werken
beeldkwaliteitplan
met normen
als middel
Hierin lijkt de crux te zitten van een goed beeldkwaliteitplan: het biedt de
voor kwaliteitszorg
stakeholders een gedeelde taal om over beeldkwaliteit te spreken.
(Annette Uitendaal, gemeente Schermer)
Er worden vaak parallellen getrokken tussen ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit.
In het milieubeleid is het gebruikelijk om met harde normen te werken: je
onderzoekt bijvoorbeeld bij welke concentratie van een stof schade optreedt, zet
er een flinke veiligheidsmarge bovenop, en hebt een getal dat niet mag worden
overschreden. Zo doen we het met water- en luchtverontreiniging, geluidhinder,
ontploffingsgevaar en nog een heleboel meer. Ruimtelijke kwaliteit laat zich
veel moeilijker in dit soort normen vangen. Het gaat nog bij het aspect van de
gebruikswaarde, wordt al moeilijker bij toekomstwaarde, en is vrijwel onmogelijk
als het gaat om belevingswaarde. En omdat bij het streven naar ruimtelijke
kwaliteit daarnaar nu juist de aandacht in het bijzonder uitgaat, moet je eigenlijk
concluderen dat van een getalmatig-normatieve benadering weinig heil te
verwachten is. Dat zie je ook bij maatschappelijke kosten-batenanalyses waaraan
grote projecten worden onderworpen. Daar wordt de belevingswaarde, als er al
aandacht aan wordt besteed, vrijwel nooit in geld uitgedrukt en meestal alleen als
PM-post opgevoerd.
Wie over belevingswaarde toch normatieve uitspraken wil doen moet naar een
culturele fundering zoeken. Dat werkt wel, al zijn de normen dan niet meer
absoluut, maar plaats- en tijds- en groepsgebonden, en worden ze niet meer in
getallen uitgedrukt maar in woorden en beelden. Traditie wordt in deze benadering
belangrijk. De waarde die wij in Nederland over het algemeen hechten aan de
openheid van het landschap, aan het contrast van stad en land, aan licht, lucht en
groen in onze steden, is terug te voeren op een lange historie. Hetzelfde geldt voor
27

28
het veranderende landschap
de bijzondere plaats die het water in onze steden en landschappen inneemt. Als bron dienen zich bijvoorbeeld
schilderijen aan die door de eeuwen heen een geïdealiseerd beeld hebben geboden van landschappen en steden.
Historische teksten kunnen natuurlijk voor hetzelfde doel worden gebruikt. Soms hebben we nog de motiveringen
van oude inrichtingsontwerpen, of bestaan er verslagen van discussies die aan ruimtelijke ingrepen vooraf gingen.
Naarmate we dichterbij het heden komen, wordt zulk materiaal overvloediger.
Er doen zich daarbij vervolgens nog drie problemen voor. Ten eerste maakt de oriëntatie op het verleden het
moeilijk om aan kwaliteit steeds nieuwe invullingen te geven. Ten tweede is er het elitaire karakter van normen.
Normen stellen veronderstelt macht. Dat kan intellectuele macht zijn van ontwerpers en hun entourage van
exegeten en critici, het kan bestuurlijke macht zijn, het kan de macht zijn van het geld. De overgrote meerderheid
van de bevolking die misschien heel andere normen voor kwaliteit zou willen aanleggen komt daarbij niet aan zijn
trekken.
Het derde probleem tenslotte is dat je met normen goed kunt voorkomen dat negatieve uitschieters een kans
krijgen, maar het nog niet zo makkelijk is te voorkomen dat positieve uitschieters, de echt briljante want volkomen
onverwachte en ongedachte mogelijkheden, óók worden uitgesloten. Zo werken normen al gauw middelmaat
bevorderend en maken ze wat aan ontwerpen gerealiseerd kan worden saai en grijs.
`Een goede ontwerper heeft geen normen nodig'
De verifieerbaarheid van de kwaliteitsbeoordeling blijft een punt van aandacht. Hierbij dient het nadrukkelijk niet
alleen te gaan om het omschrijven van criteria. Juist de manier waarop de ontwerper in het ontwerpproces deze
criteria op een creatieve manier kan inzetten om tot ontwerpen te komen die een meerwaarde opleveren is hierbij
van groot belang.(Eric Luiten, Belvedère-hoogleraar TU Delft)
Je kunt de problemen die vastzitten aan het werken met normen zo serieus vinden, dat je besluit er maar
helemaal van af te zien. Dan moet je op zoek naar andere manieren om kwaliteit te waarborgen. Eén
daarvan is het vertrouwen op professionals: als je goede ontwerpers hebt, die worden ingezet door goede
opdrachtgevers, en eventueel nog begeleid door goede supervisoren, kwaliteitsteams, bouwmeesters en
dergelijke, dan ontstaat kwaliteit `vanzelf'. Dit is de lijn waarop in Nederland de rijksoverheid sterk inzet. Zorg
voor goede opleidingsinstituten, die scherp gehouden worden door visitatiecommissies waarin gerenommeerde
29

30
het veranderende landschap
buitenlandse instellingen vertegenwoordigd zijn. Zet een registratiesysteem op voor ontwerpers die aan deze
opleidingsinstituten zijn gevormd of daarmee vergelijkbare kwalificaties hebben behaald. Richt heel veel energie
op het `opvoeden' van opdrachtgevers (bijv de Gouden Piramides, Architectuur Lokaal). Versterk de positie van
de rijksbouwmeester en bouw die uit met monumenten-, landschaps- en infrastructuurontwerpers. Bevorder
dat ook provincies en gemeenten dergelijke functionarissen aanstellen, hetzij permanent, hetzij in plan- of
projectgebonden vorm. Als motivering voor deze aanpak wordt vaak teruggegrepen op de gemeentelijke praktijk
in de periode tussen de wereldoorlogen, met beroemde wethouders als Wibaut en stedenbouwkundigen als Van
Eesteren, Dudok of Van Traa. Overigens kan deze benadering wel tot continuïteitsproblemen leiden bij personele
wisselingen tijdens de vaak lange planvormings- en uitvoeringsprocessen.
`Kwaliteit komt uit het proces'
Het laten beoordelen door externe deskundigen blijkt een heikel punt. (...) Mijn angstbeeld is een bekende
architect die gedurende een aantal jaren het monopoly heeft met zijn mening plannen ogenschijnlijk willekeurig
goed of af te keuren.
(Friso de Zeeuw, projectontwikkelaar Bouwfonds MAB)
Het vertrouwen op experts als alternatief voor normstelling ondervangt het risico dat alleen nog regressief
ontworpen wordt, en dat briljante oplossingen onmogelijk worden gemaakt. Maar het derde probleem, dat
normen vaak elitair zijn, wordt er natuurlijk niet door opgelost. Integendeel, de expertbenadering versterkt
het elitaire karakter juist. Wie dat nu net het grootste bezwaar vindt, kiest voor een procesbenadering, waarin
opdrachtgevers zich bescheiden opstellen en ontwerpers zich toeleggen op een ondersteunende, faciliterende
rol. De ontwerpbeslissingen moeten gezamenlijk worden genomen door al diegenen die de gevolgen ervan
ondervinden, met een mate van invloed die niet een afspiegeling is van maatschappelijke machtsverhoudingen,
maar uitsluitend van het gewicht van de ondervonden effecten. Het komt dan aan op de `procesarchitectuur' die
deze kwaliteit van de besluitvorming moet waarborgen. Is die procesarchitectuur goed, dan is de kwaliteit van de
uitkomst per definitie ook goed, wat een elitaire expert daarvan ook moge vinden.
Voor de partijen die over het ontwerp moeten beslissen is het vaak moeilijk zich een voorstelling te maken van de
gevolgen van hun keuzen. De faciliterende ruimtelijke ontwerper kan dat ondervangen door die gevolgen zelf te
verbeelden of door beelden aan te bieden die refereren aan bestaande, bekende situaties.
31

32
het veranderende landschap
`De markt bepaalt wat kwaliteit is'
Een derde niet-normatieve benadering is proefondervindelijk, met gerealiseerde vastgoedprijzen als graadmeter.
Wat in de markt een goede prijs oplevert wordt kennelijk gewaardeerd, en heeft dus kwaliteit, en omgekeerd.
Dit leidt veelal tot herhaling van succesformules uit het verleden of kopiëren van geslaagde concurrenten. Het
vereist ondernemersdurf om nieuwe formules op de markt te brengen die zich nog moeten bewijzen. Wie dat wil
en toch zijn risico's beheersbaar wil houden kan via consumentenpanels of andere vormen van marktonderzoek
aan de weet proberen te komen waar nieuwe vraag naar uitgaat en daarop het ontwerp aanpassen. De vraag is
dan leidend en het ontwerp volgend, en dat lijkt dan een beetje op de procesarchitectuurbenadering. Hij kan
omgekeerd te werk gaan en topontwerpers inschakelen die met de overtuigingskracht van een nieuw aanbod juist
het ontwerp leidend maken en de vraag laten volgen. Dat lijkt dan meer op de expertbenadering.
Samenvattend: zoek een verstandige mix
Bij elke benadering zijn hiervoor bezwaren en problemen genoemd. Dat betekent dat je eigenlijk voor geen
enkele benadering in onversneden vorm kunt kiezen. Voor de hand ligt het zoeken naar combinaties die positieve
aspecten van elke benadering meenemen en zich ontdoen van de negatieve. Maak, met andere woorden, zo
goed mogelijk gebruik van culturele bronnen, maar word niet de gevangene van het verleden. Bevorder daarnaast
vakmatige expertise, niet alleen bij ontwerpers en supervisoren, maar vooral ook bij opdrachtgevers, zonder
daarbij elitair en arrogant te worden. Zorg dat een breed publiek kan meediscussiëren en bouw zo draagvlak
op, en besteed veel aandacht aan het voeden van die discussie met goede informatie bijvoorbeeld in de vorm
van referentiebeelden. Toets tenslotte resultaten aan de markt, omdat zonder voldoende opbrengsten kwaliteit
eenzijdig van beperkte overheidsmiddelen afhankelijk blijft en altijd als eerste zal sneuvelen wanneer moet
worden bezuinigd. Maar verval niet in de platheid dat alles wat meer geld oplevert per definitie beter is.
33

34
het veranderende landschap

Voor Noord-Holland is, bij de uitoefening van de provinciale ruimtelijke
ruimtelijke kwaliteit in
ordeningstaken, steeds meer nadruk komen te liggen op ruimtelijke kwaliteitszorg.
de provincie
Net als de nota Ruimte van het rijk, en de nieuwe wet Ruimtelijke ordening,
Noord-Holland
kiest de provincie voor een ontwikkelend perspectief. Bij de vaststelling van het
ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord (de opvolger van het streekplan) is een
beeldkwaliteitplan verplicht gesteld als onderbouwing van bestemmingsplannen
en artikel 19 procedures voor nieuwe ontwikkelingen buiten de bebouwde kom.
Het contourenbeleid is losgelaten. Gemeenten krijgen, onder voorwaarde van
een beeldkwaliteitplan, veel ontwikkelingsvrijheid in zoekgebieden. Het is
zelfs mogelijk in uitsluitingsgebieden te ontwikkelen, zij het onder strengere
voorwaarden, waaronder een ruimte-voor-ruimte regeling. De verplichting
beeldkwaliteitplannen te maken geldt inmiddels ook voor Laag-Holland. Daarmee
wordt nu het hele middengebied van de provincie boven het Noordzeekanaal
bestreken. Het streekplan Noord-Holland Zuid voorziet nog niet in deze
verplichting. Wel is er, specifiek voor het zuidelijk deel van de provincie, een task
force Zuinig Ruimtegebruik in het leven geroepen om te assisteren bij de grote
binnenstedelijke opgaven die hier spelen. De verschillen binnen de provincie
worden rechtgetrokken met de nieuwe structuurvisie voor de hele provincie,
waarvan de ontwikkeling recent is gestart en waarin het ontwikkelingsbeeld Noord-
Holland Noord naar verwachting zal worden overgenomen. In de structuurvisie
zal ruimtelijke kwaliteit opnieuw een speerpunt zijn. Het valt aan te nemen dat
het beeldkwaliteitplan als instrument van kwaliteitzorg voor het hele provinciale
buitengebied zal gaan gelden.
Een ander belangrijk beleidsdocument is de nota Cultuur 2001-2004. Hierin
is voorgesteld een provinciaal bouwmeester (inmiddels: `provinciaal adviseur
ruimtelijke kwaliteit') aan te stellen om "ons streven naar creatieve kwaliteit in
onze ruimtelijke vormgevingsprocessen nader vorm te geven". Deze adviseur is
inmiddels benoemd, met een meervoudige taak: van het verhogen van ruimtelijke
35

36
het veranderende landschap
en proces-kwaliteit tot aan het uitspreken van oordelen over plannen, waaronder beeldkwaliteitplannen.
De provincie initieert en stimuleert verder projecten die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komen, onder meer
met de subsidieregeling Herstructurering en Innovatief Ruimtegebruik op Bedrijventerreinen. Ook draagt de
provincie bij aan ruimtelijke kwaliteit in diverse gebiedsgerichte ontwikkelingen zoals Bloemendalerpolder/KNSF,
Wieringerer Randmeer, Stelling van Amsterdam en Wonen in het Groen (Heiloo en Limmen).
De visie van de provincie op ruimtelijke kwaliteit
De provincies interpreteren hun nieuwe verantwoordelijkheden verschillend. In de breedte is men op zoek naar
instrumenten, procedures en personen die hierin een cruciale rol kunnen vervullen.
(Eric Luiten, Belvedère-hoogleraar TU Delft)
De provincie Noord-Holland deelt de algemene visie dat ruimtelijke kwaliteit is opgebouwd uit drie verschillende
waarden: gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. De provincie voegt hier echter een meer
specifieke invulling aan toe: kwaliteit = identiteit = landschap + cultuurhistorie. Dit houdt in dat landschap en
cultuurhistorie in de visie van de provincie essentieel zijn voor de identiteit van gebieden en ontwikkelingen.
Deze omschrijving heeft de laatste jaren geleid tot diverse studies die in opdracht van de provincie zijn
ondernomen. Twee bureaus hebben op dit gebied een belangrijke ondersteunende rol vervuld. LA4Sale heeft
studie verricht naar de identiteit van Noord-Holland, de karakteristieken en ontwikkelingsperspectieven van
verschillende landschappen (`identiteitseenheden'). Dit bureau heeft ook het `Kleine Kernen Kookboek' en de
verkenning `Bouwen voor Waterland' opgesteld. Hierin wordt geïllustreerd hoe kleine kernen, onderscheiden in
`families' van dorpentypen, verder kunnen worden ontwikkeld op een manier die past bij het landschap en de
bebouwingskarakteristiek van een kern. Deze twee studies gaan in op het niveau van de kleine schaal. Op een
hoger schaalniveau heeft Bureau Bosch Slabbers een `Beleidskader voor Landschap en Cultuurhistorie' opgesteld,
dat de vorm heeft gekregen van een beleidsatlas en waarin per regio en per landschapstype is beschreven wat van
belang is om te behouden, te versterken en te ontwikkelen. Dit beleidskader is vertrekpunt voor het opstellen van
beeldkwaliteitplannen en tevens toetsingskader voor binnenkomende beeldkwaliteitplannen. Ook heeft Bosch
Slabbers een `Inspiratieboek' voor Noord-Holland Noord gemaakt waarin uiteenlopende opgaven zijn uitgewerkt
vanuit de inspiratie van landschap en cultuurhistorie.
37

38
het veranderende landschap
De invulling van het begrip `beeldkwaliteitplan'
Gemeenten worden overladen met beleid met daarin goed of minder goed omschreven conflicterende of
complementaire vereisten met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit. Mijn advies is vooral gebruik te maken van
bestaande instrumenten en beleid, in plaats van het toevoegen van nog een extra laag.
(Friso de Zeeuw, projectontwikkelaar Bouwfonds MAB)
In de brochure `Inspiratie voor kwaliteit' geeft de provincie een uitwerking van haar bedoelingen, onder andere in
enkele voorbeelden die samen met gemeenten zijn ontwikkeld (Andijk, Obdam, Langedijk). Wat duidelijk blijkt
is dat het om een ander soort beeldkwaliteitplannen gaat dan gebruikelijk is binnen de bebouwde kom. Daar
hebben beeldkwaliteitplannen primair een functie als toetsingsinstrument bij de beoordeling van bouwplannen.
Ze zijn aanvullend, enerzijds op het bestemmingsplan, dat als instrument te zwaar en te star is om effectief
kwaliteit te kunnen waarborgen, anderzijds op een welstandsnota die als regel te algemeen is (door het grote
bestreken gebied) en te weinig ontwikkelingsgericht. De door de provincie geëiste beeldkwaliteitplannen voor
het buitengebied zijn primair een planvormingsinstrument: zij moeten ervoor zorgen dat bij de beleidkeuzen die
in bestemmingsplannen en projectplannen worden gemaakt, ruimtelijke kwaliteit voldoende gewicht krijgt. De
provincie spreekt zelf dan ook van `een strategisch beeldkwaliteitplan op structuurniveau'. Strategisch, aangezien
er al vroegtijdig in het planproces mee dient te worden gestart, en het een centrale rol vervult voor belangrijke
beleidskeuzen, bijvoorbeeld ten aanzien van ontwikkelingslocaties. En op structuurniveau, omdat het gaat om
de schaal van een hele gemeente of zelfs meerdere gemeenten. Het gaat dus om een nieuw fenomeen en daarom
laat de provincie het niet bij het stellen van de formele eis, maar heeft zij ook een stimuleringssubsidie ingesteld.
Beeldkwaliteitplannen die gemeentegrenzen overschrijden worden bovendien nog eens extra gestimuleerd.
De door de provincie geëiste beeldkwaliteitplannen moeten aan vijf vereisten voldoen:
1.
aandacht voor de ontwikkelingsgeschiedenis
2.
aansluiting bij de ordeningsprincipes van het landschap
3.
aansluiting bij de bebouwingskarakteristiek
4.
inpassing van het plangebied in de wijdere omgeving
5.
aandacht voor de bestaande kwaliteiten van het gebied en voor maatregelen om negatieve effecten op
deze kwaliteiten op te heffen
39

40
het veranderende landschap
In interviews met gemeenten en met betrokkenen binnen de provincie hebben we gevraagd naar ervaringen met
de provinciale eisen. De algemene tendens is positief. Het instrument beeldkwaliteitplan is goed bekend, er is
draagvlak, en er zijn al veel plannen opgesteld of in de maak. Er is bij gemeenten nog wel onduidelijkheid over de
juridische status en de verhouding tot bijvoorbeeld de welstandsnota. De wijze waarop de vijf vereisten worden
gehanteerd blijkt zeer verschillend. Dat onderstreept het belang van een consequente beoordeling door de
provincie.
Van planvormings- naar toetsingsinstrument
De provincie is zich het verschil tussen beeldkwaliteitplannen als planvormingsinstrument en als
toetsingsinstrument goed bewust. Zij gaat ervan uit dat gemeenten niet stoppen zodra zij hun beeldkwaliteitplan
ter onderbouwing van een bestemmingsplan gereed hebben (en dit door de provincie als voldoende is aanvaard),
maar vervolgens verder gaan om het uit te werken tot een instrument dat kan worden gebruikt voor de beoordeling
van bouwplannen en andere ingrepen. Daarbij is het primair aan de gemeenten om een effectieve vorm te vinden.
Concrete suggesties daarvoor worden door de provincie niet gedaan.
Voor gemeenten is de voor de hand liggende oplossing het uitbouwen van de welstandsnota. Probleem van
de welstandsnota is echter de basis in een gebiedsbeschrijving die er bij voorbaat een conserverend karakter
aan geeft. Het ontwikkelen van meer algemene criteria waaraan ook geheel nieuwe ontwikkelingen kunnen
worden getoetst blijkt moeilijk. Tweede probleem is de gerichtheid op bouwvergunningverlening, omdat de
welstandsnota zijn grond vindt in de Woningwet. Ingrepen waarvoor geen bouwvergunning nodig is, zijn er niet
mee te beheersen. Je zou kunnen proberen om deze beperkingen van de kwaliteitstoetsing via de Woningwet te
ondervangen via de ruimtelijke ordeningslijn, en daarvoor dan het bestemmingsplan te gebruiken. Dan wreekt
zich echter dat de ruimtelijke ordeningswetgeving daarvoor geen formele basis biedt. We komen daar later nog op
terug.
41

42
het veranderende landschap
Samenvattend: het beeldkwaliteitplan in de provinciale optiek
De door de provincie en welstand ingezette lijnen zijn prima, hoewel de provinciale inzet op landschap en
cultuurhistorie naar mijn inzicht te beperkt zijn. Het betrekken van natuurmonumenten en staatsbosbeheer is
cruciaal om de beeldkwaliteitplannen voldoende breedte te geven.
(Friso de Zeeuw, projectontwikkelaar Bouwfonds MAB)
Het door de provincie geëiste beeldkwaliteitplan is primair een planvormingsinstrument. Gemeenten
zullen vervolgstappen moeten zetten om het beeldkwaliteitplan ook bruikbaar te maken voor de toetsing
van bouwplannen en andere ingrepen. Een punt van discussie is de spanning tussen de provinciale wens
ontwikkelingsgericht kwaliteitsbeleid te voeren, en de dominantie van de cultuurhistorische invalshoek. Blijft er
wel voldoende ruimte voor het maken van nieuwe kwaliteit die een adequaat antwoord biedt op de ingrijpende
veranderingen die in het buitengebied gaande zijn? En op eigentijdse culturele ontwikkelingen? Wordt voldoende
rekening gehouden met individuele belangen en voorkeuren en de doorwerking daarvan op financieel-
economische haalbaarheid? Ontstaat er voldoende draagvlak onder de vele betrokkenen en belanghebbenden?
Wordt de lat hoog genoeg gelegd om ook een bijdrage te leveren aan de internationale concurrentiekracht? En als,
in het geval van ingrijpende functieveranderingen en grootschalige nieuwe ontwikkelingen, de ruimte te beperkt
blijkt en de regels onwerkbaar worden, ontstaat dan een vacuüm?
43

44
het veranderende landschap

Naast de interviews met gemeenten en met provincie-functionarissen hebben we
beeldkwaliteitplan in
ook nog gesproken met mensen die vanuit andere invalshoeken naar kwaliteitszorg
de praktijk
kijken: een projectontwikkelaar, een lid van het college van rijksadviseurs, de
Belverdère-hoogleraar in Delft, een landschapsontwerper bij Staatsbosbeheer. En
we hebben bestaande beeldkwaliteitplannen verzameld en vijf daarvan grondig
geanalyseerd. Toepasselijke citaten uit de interviews hebben we cursief verwerkt in
dit essay . De plananlyses zijn in aparte kaders toegevoegd.
Uit hetgeen we gezien en gehoord hebben in de plannen en de gesprekken, samen
met de algemene gedachtengang die we ontwikkelen in de eerste hoofdstukken van
dit essay, komen we nu tot een aantal praktische conclusies en aanbevelingen voor
het werken met beeldkwaliteitplannen als effectief instrument voor kwaliteitszorg
in het buitengebied. We besteden daar nog twee hoofdstukken aan: het ene gaat
vooral over inhoud, het andere over proces en organisatie.
45

Beeldkwaliteitplan Andijk (2005)
Bijzonderheid:
pilot project streekplan Noord-Holland Noord
Bureau:
HzA stedebouw en landschap
Status:
vastgesteld door gemeenteraad januari 2006
Participanten:
één gemeente
Afbakening:
één gemeente
Grootte:
4700 ha land
Landschappen:
open polder landschap met dijk en dorp
Deelgebieden:
negen vooral stedenbouwkundig onderscheiden (lint, dijk, centrum, woonwijk etc.)
Planvorm:
mix van ontwerpmiddel en toetsingsmiddel
Insteek:
conserverend ontwikkelend
Dynamiek:
hoog middel hoog laag
Schaalniveau:
structuur - detail
De vorm
Het beeldkwaliteitplan voor Andijk is opgesteld in het kader van het pilot project van de provincie. Vanuit de
landschappelijke en cultuurhistorische opbouw van het gebied wordt in negen karakteristieke deelgebieden de
bestaande beeldkwaliteit omschreven. In het deel Visie en Uitwerking worden per deelgebied puntsgewijs de
kansen omschreven en worden vooral de stedenbouwkundige criteria concreet gemaakt.
De inhoud
Het dorp Andijk is één van de langste lintdorpen in Nederland, daarbij is de Westfriese Omringdijk waaraan het
lintdorp zich heeft ontwikkeld als cultuurhistorisch monument een markant gegeven. Voor het bebouwingslint
zijn de toetsingscriteria zeer concreet bijna per kavel omschreven en zou zo overgenomen kunnen worden in het
bestemmingsplan. Voor open ruimtes in het gebied is voor eenzelfde aanpak gekozen. Vanuit de gedachte dat je
in het open dynamische landschap juist op het structuurniveau moet inzetten zou hier een abstractere formulering
op structuurniveau passender geweest zijn. De voorbeelduitwerkingen geven een richting maar zijn onvoldoende
uitgewerkt als toetsingscriteria. Hier wreekt zich het feit dat de gemeentegrens bepalend is geweest voor de
grootte van het plan. Het gevolg is dat het plan meerdere landschapstypen en deelgebieden bevat en dat de
samenhang binnen die grotere landschappelijke eenheden niet wordt gegarandeerd.
Het proces
Andijk valt onder de welstandscommissie West-Friesland/Enkhuizen. Het beeldkwaliteitplan is niet besproken
met de commissie. Wel heeft de commissie ervaren dat het plan als basis of inspiratie wordt gebruikt bij nieuwe
ontwikkelingen. Men ziet dit als een verbetering ten opzichte van gelijksoortige plannen voor die tijd. Het
beeldkwaliteitplan maakt geen deel uit van de welstandsnota en is er ook anderszins niet formeel aan gerelateerd.
46
het veranderende landschap

Om te beginnen zouden we iets willen doen aan de ongelukkige naam
aanbevelingen
`beeldkwaliteitplan'. Ieder plan moet tot kwaliteit leiden terwijl we dat verder nooit
voor de inhoud
in de naam opnemen. We zeggen niet `bestemmingskwaliteitplan' of `structuurkwa
liteitvisie'. Benoem dus ook in dit geval waar het plan over gaat en waarin het zich
van andere plansoorten onderscheidt: `beeldplan'. Waar een bestemmingsplan in
het platte vlak vastlegt waarvoor grond mag worden gebruikt, geeft een beeldplan
inzicht in de driedimensionale verschijningsvorm die het resultaat is van ruimtelijke
ingrepen zoals bouwen, toevoegen van beplanting, aanleg van wegen en dergelijke.
Door het beeld te laten zien kun je beoordelen of het tot kwaliteit leidt; voor die
beoordeling kun je criteria ontwikkelen die in het plan worden uitgewerkt.
In het eerste deel van ons essay trekken we de conclusie dat je voor deze criteria
moet zoeken naar een verstandige mix. Een mix van het gebruik van culturele
bronnen, maar met ruimte voor de toevoeging van nieuwe kwaliteiten, het gebruik
van vakmatige expertise maar zonder een te elitaire houding, en resultaten die
aan de publieke opinie en aan de markt getoetst kunnen worden, maar zonder
te vervallen in plat winstbejag of populisme. Deze mix is nodig om een effectief
instrument te vormen voor kwaliteitsverbetering. Vervolgens moet de toepassing
rekening houden met de specifieke problematiek in het buitengebied. Een
problematiek die zich op verschillende schaalniveaus afspeelt, in verschillende
landschapstypen, en die antwoord moet geven op ingrijpende functionele
veranderingen van een heel ander karakter dan waarmee we worden geconfronteerd
in stedelijk gebied. Wil je een goed beeldplan voor het buitengebied maken, dan
moet je daar eerst greep op krijgen.
Bepaling van de landschapseenheid
De bepaling van de landschapseenheid is de eerste stap. Als je de indeling van de
provincie naar gemeentegrenzen vergelijkt met de indeling naar landschapstypen
uit het beleidskader Landschap en Cultuurhistorie en de indeling uit de
47

Beeldkwaliteitplan Heiloo/Limmen (2005)
Bureau:
OD 205 stedenbouw onderzoek en landschap
Bijzonderheid:
zoeklocatie voor 2000 tot 2400 woningen
Status:
vastgesteld door gemeenteraden van Heiloo en Castricum (voorjaar 2006)
participanten:
drie overheden (twee gemeenten + provincie)
Afbakening:
landschapstype
Grootte:
460 ha
Landschappen:
half open (besloten) landschapstype (binnenduinlandschap)
Deelgebieden:
velden, linten en woonclusters
Planvorm:
toetsingsmiddel - ontwerpmiddel
Insteek:
conserverend ontwikkelend
Dynamiek:
hoog middel hoog - laag
Schaalniveau:
structuur -detail
De vorm
De grenzen van het plan zijn bepaald door de beleidskeuze om van dit gebied een woonlandschap te maken. Met de
keuze voor een structurele toevoeging van woningen verandert het gebied van landelijk naar stedelijk. In feite is het
plan een ontwikkelingsplan, waarbij de nota randvoorwaarden meegeeft aan een nieuwe ontwikkeling maar minder
inspeelt op een toekomstig beheersvraagstuk.
De inhoud
Het plan bevat een duidelijke opsomming van het relevante beleid van provincie en gemeente, en een grondige analyse
van de verschillende aspecten zoals: cultuurhistorie, geomorfologische ontwikkeling, functioneel en ruimtelijk en qua
architectuur. De landschappelijke analyse ontbreekt in dit stuk, daarvoor wordt verwezen naar het "Ruimtelijk plan
Landelijk gebied" . In het beeldkwaliteitplan gedeelte wordt voor het groen, het water, de natuur, de openbare ruimte
enkele basisuitgangspunten genoemd. Voor de bebouwing wordt gedetailleerd aangegeven waar het aan moet voldoen.
Aspecten als schaal en maat, erf en parkeren, vorm en type en materiaal en detaillering zijn concreet benoemd. Het
plan richt zich dus op het kleine schaalniveau, wat overeenkomt met het halfopen landschapstype. Ondanks de
ontwikkelingsgerichte opgave wordt voor grote delen toch het bestaande karakter als uitgangspunt genomen. Letterlijk
staat er: Het welstandsbeleid is gericht op behoud van de bestaande kwaliteiten door bewaking van de samenhang
binnen de linten: vernieuwen binnen bestaande context.
Het proces
Het plan is enigszins ambivalent in de doelstelling of het als toetsingsinstrument of als ontwerpmiddel moet
worden ingezet. Typerend is de alinea op de eerste pagina van het stuk: "Met nadruk wordt opgemerkt dat het
beeldkwaliteitplan een indicatief karakter heeft. Het tracht te verbeelden, te verleiden en in te kaderen. De
kaartbeelden die gepresenteerd worden hebben dan ook geenszins een definitief karakter maar geven slechts een
indicatie van mogelijke ontwikkelingen. Er kunnen geen rechten worden ontleend uit de hierna gepresenteerde tekst en
de gebruikte kaartbeelden." De vraag komt hierbij op of er geen kaartbeeld mogelijk zou zijn geweest waar wel rechten
(of verplichtingen) aan kunnen worden ontleend. En welke invloed dat zou hebben gehad op het plan.
Uit het laatste hoofdstuk blijkt dat recent opgestelde bestemmingsplannen het juridische kader vormen. Er blijkt echter
niet of deze bestemmingsplannen ook daadwerkelijk als waarborg voor de beeldkwaliteit kunnen fungeren.
48
het veranderende landschap
identiteitsonderzoeken is te zien dat de keuze voor een indeling naar identiteiten als basis voor toetsing een
logische is. Het heeft een goede schaal: is klein genoeg VOOR VOLdoende detail en groot genoeg voor voldoende
abstractie en heeft het landschap als basis.
Bepaling van de schaal: open en besloten
Elk type landschap heeft zijn eigen kwetsbaarheid. Kwetsbare gebieden zullen intensievere kwaliteitszorg vergen
dan minder kwetsbare, waar aansturen op hoofdlijnen voldoende is. In het buitengebied wordt de kwetsbaarheid
voor een belangrijk deel bepaald door de mate van openheid van een landschap. Het absorberende vermogen
van een besloten landschap is veel groter dan van een zeer open weidelandschap. Denk hierbij aan een grote
schuur geplaatst midden in een bos of midden in een open weiland. Het beeld van het open weiland zal meer
beïnvloed worden door deze schuur dan het bos. Openheid of beslotenheid zegt ook iets over het schaalniveau
waarop de beeldplannen zich moeten richten. In het open landschap is de grote schaal van belang, de structuren.
Bij het besloten landschap wordt als vanzelf meer ingezoomd op het detail. In het open landschap staat de
stedenbouwkundige en landschaps-ontwerpopgave voorop. De invulling is van een tweede orde. Zo zal de schuur
in dat weiland, of die op zichzelf nu mooi of lelijk is, wanneer opgenomen in een structuurelement zoals een
laan of lint, weer veel minder dramatisch zijn. In het besloten landschap wordt de architectonische opgave meer
bepalend voor de beeldkwaliteit.
Bepaling van de dynamiek: traag of snel
Naast de openheid van het landschap, en daarmee het schaalniveau waarop het beeldplan primair de aandacht
richt, is de dynamiek van het landschap de tweede bepalende factor: wordt het plan meer conserverend of meer
ontwikkelend? In trage landschappen waar gedurende een langere periode nauwelijks ontwikkelingen optreden
zullen beeldplannen beschrijvend van aard zijn, ingaan op het detail en reactief worden gebruikt. Ligt er eenmaal
een afgerond plan voor een (bescheiden) ingreep, dan kan dat aan de geformuleerde regels worden getoetst. Dit
is de methodiek die meestal door traditionele welstandsnota's wordt gebruikt. Is er een hoge dynamiek dan zullen
de beeldplannen vooral analyserend van aard moeten zijn. Ze moeten spelregels bevatten voor de aanpak van
het ontwerp en motiverend zijn en daarmee ruimte bieden voor verschillende ontwikkelingen. In dit geval is het
beeldplan niet reactief maar pro-actief. Het zal de essentie van het landschap moeten vatten. Vanuit die essentie
49

Ruimtelijk plan Landelijk gebied Heiloo/Limmen (2006)
Bureau:
MTD landschapsarchitecten
Bijzonderheid:
integrale samenhang met beeldkwaliteitplan
Status:
in procedure voor vaststelling
participanten:
vier overheden (twee gemeenten + provincie + hoogheemraadschap)
Afbakening:
landschapstype
Grootte:
460 ha
Landschappen:
half open landschapstype (binnenduinlandschap)
Deelgebieden:
velden, linten
Planvorm:
toetsingsmiddel - ontwerpmiddel
Insteek:
conserverend ontwikkelend
Dynamiek:
hoog middel hoog - laag
Schaalniveau:
structuur - detail
De vorm
Het plan maakt deel uit van de integrale aanpak wonen in het groen Heiloo-Limmen. Uitgangspunt is de
aanwijzing van het gebied door de provincie als woonlandschap. Aangezien er woningbouw is gepland in het
landelijk gebied is natuurcompensatie noodzakelijk: het rood voor groen principe. Het plan heeft een uitvoerend
karakter en is gekoppeld aan een uitvoeringsprogramma. Tegelijkertijd wordt in de inleiding nadrukkelijk vermeld
dat het plan indicatief is.
De inhoud
Het plan behandelt achtereenvolgens het historisch gegroeide landschapsbeeld, de waterhuishouding,
de recreatie en de natuurwaarden, waarna wordt overgegaan tot ontwerpmatige deeluitwerkingen. De
deeluitwerkingen richten zich voornamelijk op de flanken van de strandwal, daar waar het nieuwe woonlandschap
het natuurlandschap ontmoet. Vanuit het belang van de Ecologische Hoofdstructuur en de bijzondere
landschappelijke betekenis worden in detail enkele concrete voorstellen gedaan voor water verbindingen,
recreatieve routes en een juiste inpassing van de aftakking op de snelweg.
Het proces
Samen met het Beeldkwaliteitplan is er sprake van een werkelijk integrale en ontwikkelingsgerichte aanpak.
De doelstelling is dat de opbrengsten uit de woningbouw geïnvesteerd worden in het gebied zelf. Nieuwe
landschappelijke en infrastructurele structuren worden toegevoegd: een aansluiting op de A9 en bijvoorbeeld
nieuwe watergangen. Ook de ecologische en waterhuishoudkundige waarden worden in het plan ontwikkeld met
middelen uit de woningbouw.
De integrale benadering komt ook tot uitdrukking in het betrekken van de verschillende actoren in het gebied:
gemeente, provincie, hoogheemraadschap. Belangenorganisaties en bewoners hebben inspraak gehad. Ook heeft
een landbouw effectrapportage plaatsgevonden die bij de planvorming is betrokken. Het plan wordt in navolging
van het beeldkwaliteitplan vastgesteld door de twee gemeenten (Castricum en Heiloo) en wordt als basis gebruikt
voor de nog op te stellen uitwerkingsplannen. In tegenstelling tot het plan voor de Hollandse IJssel is niet gekozen
voor een convenantachtige constructie, maar een eenzijdige vanuit de overheid opgesteld plan die als leidraad
voor de nieuwe ontwikkelingen kan gelden.
50
het veranderende landschap
krijgen de verschillende functieveranderingen in het gebied hun vorm en hun plek.
Samenspel tussen rood, groen, blauw en grijs
Met de bepaling van de landschapseenheid, de schaal en de dynamiek wordt duidelijk welk type beeldplan
geschikt is om toe te passen. Daarbij geldt voor alle plannen dat voor de kwaliteit van het buitengebied de
integratie van de verschillende ontwerpende disciplines: landschapsarchitectuur, stedenbouw, architectuur
essentieel is. Het driedimensionale beeld moet een echt samenspel zijn van rood, groen, blauw en grijs. De
gespreide portefeuilleverdeling over verschillende wethouders, verschillende afdelingen binnen gemeenten
en verschillende juridische uitgangspunten (Woningwet voor woningbouw en wet Ruimtelijke ordening voor de
overige ingrepen) maken het samenspel moeilijk, maar niet onmogelijk. Het beeldplan is bij uitstek het middel om
dit spel te dirigeren. Het beeldkwaliteitplan Wonen in het Groen Heiloo-Limmen, in samenhang met het Ruimtelijk
plan Landelijk gebied, biedt een goed voorbeeld waar de relatie wordt gelegd tussen de woningbouwopgave en
de landschappelijke gevolgen, niet alleen inhoudelijk, maar ook financieel. De winst uit de woningbouw wordt
gebruikt om te investeren in het landschap.
Vier basistypen beeldplannen
De combinatie van dynamiek en openheid van het cultuurlandschap leidt tot vier basistypen beeldplannen. Het
verschil in aanpak, het in te zetten schaalniveau, de positie in het planproces en het meest geschikte moment en
wijze van toetsing worden hierna voor elk type besproken. Voor alle vier de basistypen beeldplannen blijft gelden
dat ze als ontwerpmiddel in te zetten zijn, en ook als toetsingsmiddel. Wel wordt gewezen op het feit dat het
karakter van deze beide planvorm wezenlijk verschilt en dat de doorwerking van ontwerp naar toetsingscriteria
vaak nog moeilijk blijkt.
(1) beeldplan voor het open museale cultuurlandschap
In het open museale landschap wordt het oorspronkelijke agrarische productielandschap geleidelijk omgevormd
tot een consumptielandschap, waarbij het behoud van het oorspronkelijke agrarische beeld voorop staat. Dit type
cultuurlandschap is vanwege de trage veranderingen het meest eenvoudig in beeldregels is om te zetten. De open
ruimtes kunnen zeer precies in maat worden vastgelegd. De structuurbepalende elementen zoals bomenlanen
en lintbebouwing kunnen worden benoemd en eveneens vastgelegd. Ook karakteristieke cultuurhistorische
51

Beeldkwaliteitplan Schermer (2005)
Bureau:
La 4sale
Bijzonderheid:
concrete uitwerking provinciaal indetiteitsonderzoek
Status:
vastgesteld gemeenteraad oktober 2005
participanten:
één gemeente
Afbakening:
gemeentegrens
Grootte:
6000 ha land
Landschappen:
open polderlandschap (droogmakerij + oud waterland)
Deelgebieden:
zes, op basis van landschappelijke eenheden (buitengebied, gemeentes, + overall visie)
Planvorm:
toetsingsmiddel - ontwerpmiddel
Insteek:
conserverend ontwikkelend
Dynamiek:
hoog middel hoog - laag
Schaalniveau:
structuur - detail
De vorm
Aanleiding voor het plan is de nieuwe Nota Ruimte 2004, waarmee door rijk en provincie een andere koers wordt
ingezet. Het plan sluit aan op de eis van de provincie om de ruimtelijke argumentatie voor nieuwbouw te vatten
in een beeldkwaliteitplan. Het sluit naadloos aan op het door het zelfde bureau opgestelde identiteitsonderzoek
Noord-Holland Noord van de provincie.
De inhoud
Het plangebied is de gemeentegrens, waarmee twee landschapstypen en meerdere dorpen onderdeel uitmaken
van de studie. Per deelgebied is een boekje gemaakt waarmee het plan zeer overzichtelijk is. Er wordt direct
ingezoomd op de problematiek, met weinig uitleg over achtergronden. In de identiteitsstudie wordt de Schermer
omschreven als: "een ontworpen identiteit met een totalitaire ordening" Het beeldkwaliteitplan werkt vanuit die
gedachte, maar zoomt in op het detail van het dorp en de kavel. Het vocabulaire uit de identiteitsstudie van
burgerkorrels, dijkkorrels en verzamelerven heeft concreet een plek gekregen.
Het proces
In de raadsstukken wordt vermeld dat de structuurvisie en de bestemmingsplannen zullen moeten worden
herzien. Ook wordt er door de stichting Welstandszorg Noord-Holland een effectrapportage gemaakt in hoeverre
de welstandsnota herzien moet worden. Er is voor gekozen om het beeldkwaliteitplan geen onderdeel te laten
vormen van de bestemmingsplannen, en ook niet van de welstandsnota. Het plan is vrij ééndimensionaal
opgesteld. Er wordt naar bebouwingsmogelijkheden gezocht die weliswaar worden benoemd als `korrels' die
moeten worden gerelateerd aan hun omgeving, maar andere landschappelijke of stedenbouwkundige aspecten
als recreatie, waterhuishouding, ontsluiting etc. worden niet besproken. Het is nadrukkelijk een argumentatie voor
bebouwing. Er zijn wel diverse organisaties betrokken bij de inspraak. Aangezien de gemeente verder een zeer
restrictief beleid voert tegen nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, waarbij zelfs het slotenpatroon van de
polders is vastgelegd of in sommige gevallen het beheer van omliggend landschap wordt meegenomen in nieuwe
ontwikkelingen, is het plan onverwacht ontwikkelingsgericht en een voorbeeld hoe binnen een laag dynamisch en
open landschap nieuwe ontwikkelingen zich kunnen voegen.
52
het veranderende landschap
elementen als bijvoorbeeld stolpboerderijen of een slotenpatroon kunnen onderdeel vormen van het beeldplan.
De verschijningsvorm, de beeldtaal kan eveneens omschreven worden. Nieuwe ontwikkelingen zullen zich moeten
voegen naar de bestaande karakteristiek of die karakteristiek versterken.
Een interessant voorbeeld van een open en museaal landschap is de Schermer, geen werelderfgoed als de
Beemster, maar wel een zeer fraai voorbeeld van een 17e eeuwse droogmakerij. Uitgangspunt voor de gemeente
is het behoud van het agrarische cultuurlandschap met het karakteristieke slotenpatroon en de structuur
van wegen en vaarten. Om de bescherming te bewerkstelligen is als toetsingsinstrument een gedetailleerd
bestemmingsplan opgesteld dat ook de derde dimensie benoemt en vastlegt. Zo is in het bestemmingsplan
de locatie van de sloten opgenomen en in sommige gevallen zijn ook de boomsingels bepaald. Wat betreft de
bebouwing zijn er gedetailleerde bepalingen opgenomen, bijvoorbeeld dat een stolpboerderij in maximaal twee
woningen wordt opgedeeld. Een gedetailleerde benadering dus door de schalen heen, op zowel landschappelijk
als stedenbouwkundig als architectonisch gebied. De keuze voor dit strenge beleid is logisch omdat de Schermer
in het streekplan staat omschreven als uitsluitinggebied en is benoemd als Belvedèregebied. De keuze om het
toetsende beeldplan letterlijk te integreren in het bestemmingsplan is vanwege het conserverende karakter
eveneens logisch. Door de concrete ondubbelzinnige omschrijvingen in het bestemmingsplan zal de traditionele,
reactieve welstandstoetsing goed kunnen werken. Als een goed voorbeeld van het beeldplan als ontwerpmiddel,
en als illustratie van het verschil tussen de ontwerp- en toetsingsfunctie, kan het Beeldkwaliteitplan dienen dat
eveneens voor de Schermer is gemaakt door La4sale. Dit plan onderzoekt in de eerste plaats de ruimte om nieuwe
(bouw)ontwikkelingen in te passen in de bestaande lintstructuren.
(2) beeldplan voor het open, dynamische cultuurlandschap
De veranderingen in het agrarische cultuurlandschap gaan in twee tegengestelde richtingen. Enerzijds die van
schaalverkleining zoals vaak optreedt in de hiervoor omschreven museale open landschappenen, onder invloed
van het verdwijnen van landbouw als economische hoofdactiviteit. Anderzijds juist schaalvergroting wanneer
de grondgebonden landbouw de primaire inkomstenbron blijft. Boerenbedrijven moeten in dat geval hun schaal
vergroten om rendabel te blijven en te kunnen inspelen op veranderende wetgeving. Die veranderingen vragen
om een beeldregie. De openheid is in dit type cultuurlandschap de kwetsbare factor. Een beetje schaven aan de
kleurstelling van een gebouw of aanplant van de erven zal niet voldoende zijn. Het vergt veel inzet in de structuur
53

Beeldkwaliteitplan Hollandse IJssel (1998)
Bureau:
Alle Hosper landschap en stedenbouw
Bijzonderheid:
subsidie Stimuleringsfonds architectuur, stimulering groene ruimte provincie Zuid-Holland
Status:
uitvoeringscontract 1999-2010 tussen partijen overeengekomen in juni 1999
participanten: twaalf overheden: Min VROM en V&W, provincie Zuid Holland, 6 gemeenten, 3 waterschappen
Afbakening:
één landschapstype
Grootte:
16 km rivier
Landschappen:
rivier
Deelgebieden:
twee kanten van de rivier (alleen oevers en dijken)
Planvorm:
toetsingsmiddel - ontwerpmiddel
Insteek:
conserverend ontwikkelend
Dynamiek:
hoog middel hoog - laag
Schaalniveau:
structuur - detail
De vorm
Het beeldkwaliteitplan voor de Hollandse IJssel is niet van recente datum, maar is vooral interessant omdat
het over de gemeentegrenzen heen een landschappelijke eenheid als basis neemt. Daarnaast heeft het plan
een integrale benadering van beeldkwaliteit, het behandelt de verschillende schaalniveaus van abstract tot
zeer concreet, is kort en bondig, en omschrijft duidelijke spelregels. Het plan neemt de IJssel met de oevers als
uitgangspunt voor de plangrenzen. Met een startconvenant hebben dertien overheden zich gecommitteerd aan
de revitalisering van de Hollandse IJssel. Doelstelling is een aantal kwalitatieve spelregels op te stellen, die
richtinggevend zijn bij de besluitvorming over de herontwikkeling.
De inhoud
Het plan kent een tweedeling waarbij onderscheid is gemaakt tussen algemene spelregels op het regionale
schaalniveau met bijvoorbeeld de spreiding van verschillende functies over het gebied. Aan de hand van
een serie heldere kaartjes wordt een simpele maar rake analyse gegeven van het landschap in de regionale
context. Dit maakt het plan krachtig en flexibel en geeft structuur aan het debat bij de uitwerking. Het tweede
deel is een actieplan met concrete spelregels voor de oevers van de rivier. Hier wordt ingegaan op openbare
ruimte aspecten als verlichting, straatmeubilair etc. en welstandsaspecten als positionering van de bebouwing
en architectuur, maar worden ook natuur en recreatie benoemd. De bondige omschrijving in spelregels (`niet
zo maar zo') wordt begeleid door een korte argumentatie.
Het proces
Een essentieel onderdeel van het plan vormt een matrix waarin het belang (`essentieel', `belangrijk', `aanrader'
en `waarom niet?') van elke regel wordt geformuleerd. Daarmee wordt een nuancering aangebracht die de
subjectiviteit, die veel beeldkwaliteitplannen parten speelt, vermindert. Als laatste wordt onder het kopje
`nazorg' een pleidooi gehouden voor een goede implementatie. Enkele concrete plannen zijn in gang gezet,
op tal van plaatsen wordt aan de rivier gewerkt. Jammer genoeg is bij het opstellen van het convenant het plan
blijven hangen in de rol van `inspiratiebron'. Na acht jaar is de uitvoeringsorganisatie echter nog steeds in
bedrijf en daarmee heeft het plan nog steeds bestaansrecht.
54
het veranderende landschap
van het landschap. Het landschap zal tot een aantal essentiële structuurbepalende of ruimtevormende elementen
moeten worden teruggebracht. Als het lukt die in het kwaliteitbeleid goed te handhaven, dan is verder een
flexibele invulling mogelijk die noodzakelijke aanpassingen in de bedrijfsvoering zo min mogelijk in de weg legt.
In dit dynamische landschap mogen vormveranderingen die het logische gevolg zijn van functieveranderingen niet
worden gefrustreerd.
De vrijheid voor vorm- en functieveranderingen hangt af van de kracht van de structuur. Hoe sterker de structuur
hoe meer vrijheid mogelijk is. Denk hierbij aan de Haarlemmermeer. De vaarten zijn streng beplant terwijl de
bebouwingslinten vol staan met woningen onder particulier opdrachtgeverschap gebouwd, die een grote mate van
variëteit ten toon spreiden. Deze vrijheid, of je het resultaat op detailniveau nu mooi of lelijk vind, is binnen de
maat van de polder en de helderheid van de ontginningsstructuur geen enkel probleem. Welstandstoetsing op het
niveau van dakkapellen en architectonische samenhang is hier onzin.
Een voorbeeld voor deze aanpak bieden de beeldkwaliteitplannen voor de reconstructiegebieden op de
zandgronden. Zo is de serie beeldkwaliteitplannen voor het reconstructiegebied Boven-Dommel een voorbeeld
waar zowel de functionele vraag van grote varkensboerderijen wordt geanalyseerd, als het landschap. Op grond
daarvan wordt het ruimtelijk concept bepaald. Investeringen in de ruimtelijke structuur (groen en water) vormen
de basis. Ordeningsprincipes voor de nieuwe boerderijen, zoals de kavelgrootte, moeten voldoende beeldkwaliteit
genereren. In deze serie plannen is de stap tussen planvorming en toetsing daarmee helder gemaakt. Aan de
woonbebouwing en de stallen worden verder geen eisen meer gesteld.
Bij dit soort plannen is overleg in een vroeg stadium het best, al voorafgaand aan het stadium waarin
concrete bouwplannen aan de orde komen. Zo kun je flexibel inspelen op specifieke vragen. Afhankelijk
van de ontwikkeling zou een `previsor' of een verbrede welstandscommissie in het begin van het proces de
uitgangspunten kunnen verwoorden en meedenken in de ontwikkeling.
(3) beeldplan voor het besloten, dynamische landschap
In het besloten landschap is er een variatie aan open en besloten ruimtes. De open ruimtes zijn bescheiden
van maat, en het is vooral de invulling van die ruimtes die de beeldkwaliteit bepaalt. Maat en schaal van de
invullingen in verhouding tot de ruimte en de architectuur bepalen het resultaat. Het type gebouw, de korrel
van het gebouw en de inrichting van de openbare ruimte spelen een belangrijke rol. De toetsing is duidelijk een
55

Beeldkwaliteitplan buitengebied Doetichem/Wehl (1999)
Bureau:
Amer adviseurs en Brons en partners
Bijzonderheid:
subsidieproject Stimuleringsfonds voor architectuur
Status:
in 1999 door gemeenteraden vastgesteld
participanten:
vier gemeenten + Gelders genootschap (welstand)
Afbakening:
drie landschapstypen met één welstandsregime
Grootte:
ca 2000 ha; gemeentegrenzen volgend
Landschappen:
besloten landschap, open landschap met reliëf, open landschap
Deelgebieden:
de landschappen
Planvorm:
toetsingsmiddel - ontwerpmiddel
Insteek:
conserverend ontwikkelend
Dynamiek:
hoog middel hoog - laag
Schaalniveau:
structuur - detail
De vorm
Het beeldkwaliteitplan voor het buitengebied van de gemeenten Doetinchem, Wehl,
Bergh en Gendringen in de Achterhoek is kort en krachtig te noemen. Er is, als enige
van de geïnventariseerde plannen, in de voorschriften van het bestemmingsplan een
verwijzing opgenomen naar de streefbeelden uit het beeldkwaliteitplan. Ook is de
mogelijkheid opgenomen voor de colleges van B&W om eisen te stellen aan de situering
en maatvoering van gebouwen en aan de situering van beplanting. De toetsing van het
plan wordt door de welstandscommissie (het Gelders genootschap) uitgevoerd.
De inhoud
Het plan richt zich specifiek op het buitengebied en neemt landschappelijke eenheden
als uitgangspunt. De erven en erfbeplanting zijn nadrukkelijk meegenomen in de
voorwaarden. Met veelal zeer gedetailleerde adviezen tot gevolg, bijvoorbeeld:
"verharding erf in kleinschalig straatmateriaal". Het plan is vooral conserverend met
als doel behoud van het oorspronkelijk agrarisch karakter ondanks de agrarische
veranderingen.
Het proces
De vier gemeentes zijn ondertussen samengevoegd. Ook hebben ze sinds 2004 een
Welstandsnota, die onderling op elkaar zijn afgestemd. Voor het buitengebiedsdeel
heeft het gezamenlijke beeldkwaliteitplan als bouwsteen gediend. In de welstandsnota's
wordt het gebouwde aspect nu goed meegenomen. Voor de aspecten die niet via de
welstand geregeld mogen worden blijft het beeldkwaliteitplan de bron voor richtlijnen,
bijvoorbeeld bruikbaar bij vrijstellingen voor het bestemmingsplan.
56
het veranderende landschap
schaalsprong kleiner, gedetailleerder, dan die in het open landschap. Vanwege de dynamiek is toetsing vroeg in
het proces te prefereren. De gedetailleerdheid van de toetsing is afhankelijk van de mate van conservering van het
bestaande landschap.
De plannen voor het gebied Heiloo-Limmen vormen een goed voorbeeld van dit type beeldplan. Het
binnenduinlandschap is de drager voor de ontwikkelingen. Een half-open landschap met een afwisseling aan
kleine en grotere open ruimtes. De woningbouwopgave van 2000 tot 2400 woningen geeft inhoud aan de
dynamiek. Het plan richt zich op de bebouwings- en architectuurprincipes van de verschillende korrels en geeft
daarmee een goed beeld van het niveau waarop een beeldplan zich in het besloten, dynamische landschap moet
richten. Typeringen van schaal en maat, erf en parkeren, bouwvorm en type, en materiaal en detaillering geven in
dit plan, op gedetailleerde schaal maar tegelijk voldoende generiek de gewenste beeldkwaliteit. Jammer genoeg is
het plan enigszins ambivalent in de stap tussen ontwerpmiddel en toetsingsmiddel.
Toetsing van bouwplannen of andere belangrijke ingrepen, vanaf het moment dat met de planvorming wordt
begonnen, door een supervisor of een verbrede welstandscommissie.
(4) beeldplan voor het besloten, trage landschap
De traagheid van het landschap vormt de basis van het beeldplan. Ook hier weer plannen die zich meer op de
kleine schaal richten en daar heel gedetailleerd mee omgaan. Cultuurhistorie speelt een belangrijke rol in de
beoordeling van nieuwe ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen zullen zich moeten voegen naar de historisch
gegroeide situatie.
Voorbeelden voor dit landschapstype zijn de Kennemerzoom, het Gooi, de Vecht, waar in meer of mindere mate
het beeldplan geheel conserverend of toch enigszins ontwikkelend zou kunnen zijn. Een vooral conserverend
voorbeeld is het beeldkwaliteitplan voor het buitengebied van Doetinchem-Wehl. Een plan met conserverende
beeldregels op detailniveau, zoals regels voor de inrichting van de erven en beeldregels voor de architectuur.
Vanwege het absorberend vermogen van dit type landschap kunnen nieuwe ontwikkelingen ook nieuwe beelden
toevoegen zonder direct de museale functie aan te tasten. Moderne architectuur en nieuwe landschappelijke
invullingen binnen de structuur moeten mogelijk zijn. In vergelijking met het open museale landschap is hier
meer ruimte voor variatie (en daarmee vrijheid) die zich met name richt op de korrels. Een nauwkeurige analyse
van de bestaande korrels zal de identiteit moeten bepalen. Zo is voor de Vecht vanuit een gedegen analyse een
heldere omschrijving ontstaan waaraan de verschillende bebouwingsvormen moeten voldoen. Met de vertaling
van die regels naar het bestemmingsplan en nauwkeurige toetsing van afgeronde plannen door een verbrede
57

58
het veranderende landschap

welstandscommissie moet het mogelijk zijn om de variatie in stand te houden en er
aanbevelingen voor
nog een extra laag aan toe te voegen.
organisatie en proces
Brede inzet en strenge beoordeling
De meeste beeldkwaliteitplannen die tot nu toe in Noord-Holland toe zijn gemaakt
in samenhang met en als aanvulling op bestemmingsplannen hebben betrekking
op `zoekgebieden', waar relatief ruime bouwmogelijkheden worden geboden
op voorwaarde dat die op kwalitatief verantwoorde wijze worden benut. Een
beeldkwaliteitplan als hulpmiddel voor de planvorming moet dit garanderen.
We vinden dit een goed initiatief. Normaal is een bestemmingsplan een nogal
bureaucratisch ordeningsinstrument dat niet veel meer doet dan in het platte vlak
aangeven waarvoor grond wel en niet mag worden gebruikt. Wat het effect daarvan
op het landschapsbeeld is, is moeilijk te schatten, laat staan dat het traditionele
bestemmingsplan een effectief middel verschaft om de kwaliteit van dat beeld te
beïnvloeden. Daar doet de provincie dus wat aan, en met succes want zoals uit onze
inventarisatie en uit de interviews bleek, hebben inmiddels heel wat gemeenten een
beeldplan afgerond of zijn er druk mee bezig.
We vinden ook dat de provincie verder kan gaan. De inzet van beeldkwaliteitplannen
is nu te sterk gekoppeld aan voorgenomen bouwactiviteiten. Dat is beperkt, en het
houdt het risico in dat een beeldkwaliteitplan een `verplicht nummer' wordt dat
vervolgens als `vrijbrief' dient voor bouwactiviteiten. Het zal erg van de beoordeling
van het serieuze karakter en de inhoudelijke kwaliteit van de plannen afhangen of
uiteindelijk meer dan een beetje `lippendienst' en `window dressing' nodig blijkt
om willekeurig welke bouwactiviteit te rechtvaardigen. De provincie zal van de
beoordeling dus serieus werk moeten maken.
Verder hebben we al eerder betoogd dat er meer activiteiten zijn die de kwaliteit van
het buitengebied raken dan alleen (woning)bouw. Denk aan de grote veranderingen
in de waterhuishouding die ons te wachten staan, aanleg van nieuwe infrastructuur,
veranderingen in de landbouw, recreatie- en natuurontwikkeling, bosbouw. Ook
59

60
het veranderende landschap
die moeten met beeldplannen in de hand aan een kwaliteitsoordeel onderworpen kunnen worden en het is
daarbij goed niet alleen een verbinding met de bouwvergunning te leggen, maar ook optimaal gebruik te maken
van de mogelijkheid aanlegvergunningen te eisen. Terwijl substantiële bouwactiviteiten in `uitsluitingsgebieden'
niet worden toegestaan zijn daar de hierboven genoemde andere ingrepen vaak wel mogelijk. Als die evenzeer
verdienen op hun ruimtelijke kwaliteitseffecten te worden getoetst, leidt dat vanzelf tot de conclusie dat ook voor
uitsluitingsgebieden strak de hand moet worden gehouden aan de eis van een beeldplan, ook al is geen sprake
van substantiële bouwactiviteiten. Dus, samenvattend, serieus werk maken van de provinciale toetsing van
beeldplannen, uitbreiden naar andere ingrepen dan alleen bouwactiviteiten, koppelen aan aanlegvergunningen,
en voor uitsluitingsgebieden even stringent hanteren als voor zoekgebieden.
Gebruik provinciale verordende bevoegdheid
Vraag is hoe het provinciale systeem gaat werken onder de nieuwe wet Ruimtelijke ordening. Daarin vervalt de
provinciale goedkeuring van bestemmingsplannen en valt dus de bodem weg onder het eisen van beeldplannen
in het kader daarvan. De provincie heeft naar onze mening maar één optie, en dat is gebruiken van de
verordenende bevoegdheid die de nieuwe wet biedt om de eis alsnog te stellen, maar het ziet ernaar uit dat
het moeilijker zal worden de gemaakte beeldplannen te toetsen aan provinciale uitgangspunten. De provincie
zal het in de praktijk vooral moeten hebben van overreding en ondersteuning van gemeenten, in het bijzonder
wanneer meerdere gemeenten moeten samenwerken om te komen tot een beeldplan voor een samenhangende
landschappelijke eenheid. De nieuwe provinciale structuurvisie kan hiervoor de basis bieden, met de provinciale
adviseur in een ambassadeursrol.
Gebruik van de gemeentelijke exploitatieverordening en van de aanlegvergunning
Omdat veel ingrepen die de kwaliteit van het buitengebied beïnvloeden niet aan een bouwvergunning gebonden
zijn, heb je te weinig greep op de ontwikkeling. (Dirk Sijmons, College van Rijksadviseurs)
Voor gemeenten verandert er weinig in de wijze waarop zij met beeldplannen kunnen werken als onderbouwing
van hun bestemmingsplannen. Hun positie wordt zelfs sterker doordat ze onder de nieuwe Grondexploitatiewet
de realisering van kwaliteitselementen door private ontwikkelaars met behulp van het instrument van de
61

62
het veranderende landschap
exploitatieverordening met meer kracht zullen kunnen afdwingen.
Dat betreft dan het beeldplan als planvormingsinstrument en als instrument om grootschalige
ontwikkelingsprojecten te sturen. Daarnaast blijft de wenselijkheid dit strategische beeldplan uit te bouwen
tot een bruikbaar toetsingsinstrument in het kader van het verlenen van bouw- en aanlegvergunningen. Voor
bouwvergunningen ligt het, zoals al opgemerkt, voor de hand aansluiting te zoeken bij het op de Woningwet
gebaseerde welstandstoezicht en daarvoor geproduceerde welstandsnota's. Voor aanlegvergunningen zal
het bestemmingsplan, en daarmee de wet Ruimtelijke ordening, de basis moeten bieden, en dat betekent
dat de inrichting en formulering van het bestemmingsplan daarop expliciet moet worden toegesneden. In de
eerste plaats door als vaste regel aanlegvergunningen te eisen voor ingrepen die de kwaliteit beïnvloeden,
vervolgens door in het bestemmingsplan voor die vergunningen effectieve criteria te formuleren, en tenslotte
door vast te leggen dat ook voor aanlegvergunningen het welstandstoezicht een toetsende rol heeft, net als voor
bouwvergunningen.
Inzet verbrede welstand vroeg in het proces
Het niet betrekken van de gemeentelijke welstand bij het opstellen van het beeldkwaliteitsplan is achteraf gezien
niet goed geweest. (...) Deze ervaring heeft de gemeente ertoe gebracht om een previsor aan te gaan nemen, een
architect die in een begeleidende en ontwerpende rol een tijdige koppeling tussen welstand en BKP kan gaan
vervullen. (Annette Uitendaal, gemeente Schermer)
Wil het welstandstoezicht succesvol bijdragen aan het realiseren van de ambities van beeldplannen, dan zijn er
op twee fronten flinke veranderingen nodig. Als eerste moet worden bedacht dat grotere ruimtelijke ingrepen tot
stand komen als resultaat van lang lopende complexe processen waarmee, niet alleen voor de uitvoering, maar
ook al voor de voorbereiding veel geld is gemoeid en waarvoor betrokken bestuurders vaak aanzienlijke politieke
risico's nemen. Dan is een negatief welstandsoordeel helemaal aan het eind desastreus. Overnieuw beginnen
is ondenkbaar. Grote wijzigingen zijn alleen met veel vertraging en geld- en prestigeverlies door te voeren.
Kwaliteitszorg moet daarom in deze processen in een veel eerder stadium worden geïntroduceerd. We gaven
dat ook al aan bij de beschrijving van de basisgebiedstypen, waar we lieten zien dat vroeg beginnen vooral voor
gebieden met een hoge dynamiek van groot belang is. Dit kan gestalte krijgen door bijvoorbeeld het inzetten van
63

64
het veranderende landschap
onafhankelijke previsoren, supervisoren, een kwaliteitsteam, en dergelijke. Die zullen dan als eerste met het tot
toetsingsinstrument uitgewerkte beeldplan aan de slag gaan, zoveel mogelijk met overreding bijsturend, en zo
vroeg mogelijk signalerend wanneer serieuze conflicten ontstaan.
Als tweede zullen welstandscommissies die wettelijk aan het eind aan bod blijven komen, anders van
samenstelling moeten worden: minder architectuurgericht en meer op stedenbouw en landschap en op een hoger
schaalniveau ingezet worden.
Supervisoren en dergelijke kunnen naast welstandscommissies opereren, maar dan moet de verhouding goed
geregeld zijn. Ze kunnen ook, en dat heeft onze voorkeur, op de een of andere manier van de commissies deel
uitmaken of eraan worden toegevoegd. Dan kunnen ze ook de ondersteunende faciliteiten, zowel administratief
als inhoudelijk delen, die door de stichting Welstandszorg Noord-Holland worden geboden (cq kunnen/moeten
ontwikkeld als nieuw taakveld).
65

66
het veranderende landschap

tot slot
Kwaliteitszorg kan slechts werken wanneer deze vanaf het begin van het proces
wordt ingezet. Alleen maar toetsen aan het eind werkt niet.
(Dirk Sijmons, College van Rijksadviseurs)
We hebben hiervoor een veelheid aan aanbevelingen geformuleerd met betrekking
tot de inhoudelijke, organisatorische en procesmatige aanpak van succesvolle
kwaliteitszorg gebaseerd op het gebruik van beeldplannen, als hulpmiddel voor
planvorming en voor toetsing. Drie van die aanbevelingen hebben naar onze
mening een zodanig gewicht dat je ze zou kunnen aanmerken als fundamentele
voorwaarden.
Dat is ten eerste de ontwikkelingsgerichtheid, in plaats van vooral te willen
conserveren. In het bijzonder voor landschappen met een hoge dynamiek is dit
essentieel.
Het is ten tweede de meedenkende inzet vanaf het begin van het proces, in plaats
van alleen maar goedkeuren of afkeuren aan het eind.
En het is ten derde een wettelijke verankering. Enerzijds van de verplichting
beeldplannen te maken als onderbouwing van een bestemmingsplan, bijvoorbeeld
door dit in een provinciale verordening te regelen nu het niet meer kan worden
geëist in het kader van bestemmingsplangoedkeuring. Anderzijds van de
toetsing van ingrepen die grote gevolgen voor de kwaliteit hebben terwijl ze niet
bouwvergunningplichtig zijn, in de lijn van de wet Ruimtelijke ordening, door in
een bestemmingsplan aanlegvergunningen te eisen en die te onderwerpen aan
welstandstoezicht.
Je zou daar nog een vierde fundamentele voorwaarde aan kunnen toevoegen die het
niveau van de concrete aanpak overstijgt, en veel meer over cultuur en mentaliteit
gaat. Daarmee willen we graag besluiten: kwaliteitszorg werkt alleen vanuit ambitie
en gedrevenheid. In een onverschillige of soms zelfs vijandige omgeving ("kwaliteit
67

68
het veranderende landschap
is boterzacht, kost alleen maar geld en levert niets op, zorgt voor eindeloze vertragingen"), kan kwaliteitszorg
hoogstens ernstige `ongelukken' voorkomen, maar biedt geen zicht op briljante oplossingen. Daarvoor is het
nodig dat alle betrokkenen hun reserves laten varen en echt de wil hebben kwaliteit te realiseren en zich daaraan
ook blijvend committeren.
De Stichting Welstandszorg Noord-Holland, als dé advocaat van ruimtelijke kwaliteit, kan daarin een centrale
rol spelen. Minstens zo belangrijk is de rol van de provincie, en het zal de kracht van de kwaliteitszorg
aanmerkelijk vergroten wanneer beide instellingen nauw samenwerken. Noord-Holland beschikt over ongekend
fraaie landschappen. Het is het waard dat zo te houden en nog mooier te maken. Dat moet toch het ultieme
doel zijn van alle betrokkenen, niet alleen de stichting en de provincie, maar ook gemeenten, waterschappen,
landbouworganisaties, natuur- en landschapsbeheerders, projectontwikkelaars, corporaties, en wie verder maar
bij de ontwikkeling van het buitengebied een rol speelt.
69

70
het veranderende landschap

colofon
Tekst:
Marlies van Diest (landschapsontwerper), Steef Buijs en Egbert Stolk
(stedenbouwkundigen)
Eindredactie: Steef Buijs
Fotografie en lay-out: Marlies van Diest
In opdracht van Stichting Welstandszorg Noord-Holland
Februari 2007
Verantwoording
Voor het schrijven van dit essay hebben wij gesprekken gevoerd met
belanghebbenden en deskundigen. Een verslag van deze gesprekken kunt u
raadplegen op de website van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland, evenals
een overzicht van door ons gebruikte literatuur.
71