De logica van de lelijkheid Ontwikkeling van bedrijventerreinen in Noord-Holland Deze brochure bevat de samenvatting van een onderzoek naar de mechanismen waarmee in Noord-Holland bedrijventerreinen tot stand komen. Het onderzoek werd uitgevoerd door sociaal-geograaf-planoloog drs. H.C. Meinsma in opdracht van de stichting Welstandszorg Noord-Holland. Aan deze samenvatting is het verslag toegevoegd van een expertmeeting met betrokkenen bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen in Nederland. De luchtfoto's in deze brochure zijn van Pandion, Aerial Photographs for planning, development and design. De maaiveldfoto's zijn gemaakt door N. de Vreeze. Het integrale onderzoekverslag is voor E 65,- te bestellen bij stichting WZNH, Emmastraat 111, Alkmaar, tel.: 072 - 520 44 59. Aan bedrijventerreinen is in architectonische of stedenbouwkundige zin meestal maar weinig te beleven. En landschappelijk zijn ze vaak slordig ingepast. Het zijn bijna altijd in het oog springende locaties tussen steden en dorpen, die vroeger een agrarisch karakter hadden. De gebouwen die er staan zijn loodsen, platte dozen van staalplaat met hier en daar een deur en soms een hele rij deuren als het om opslag en distributie gaat waarbij veel vrachtwagens tegelijkertijd bediend moeten worden. In de beste gevallen zit er een stukje kantoor ingeschoven met nog wat ramen en een deur. Ontwerpers zijn er meestal niet bij nodig geweest, het tekenbureau van een doorsnee constructiebedrijf is goed in staat om een vlakverdeling te maken met verschillende materialen of alleen in kleur. Hier en daar wordt een accent toegevoegd: een torentje, een pergola, een uitgebouwde kantine of een showroom-pui. Het kan allemaal, en op zichzelf is iedere loods gewoon alleen maar de simpele uitdrukking van wat het is: vierkante meters bedrijfsruimte en de vorm die daarvoor het meest voor de hand ligt, met hier en daar een verbijzondering door een kantoorgedeelte of een entree- partij. In de NRC van 21 februari 2003 noemde Bernard Hulsman bedrijventerreinen de treurigste oorden van Nederland. "De verzamelingen vrijstaande bedrijfsgebouwen, vaak omgeven door afgesloten parkeerterreinen, vormen overal in Nederland deprimerende omgevingen. De strookjes groen die je er nog wel eens tegenkomt zijn te iel voor zinnig gebruik. Er zijn ook geen gebruikers. Niemand loopt hier voor zijn plezier op straat, laat staan dat hij in een perkje gaat zitten. De gebouwen zijn, op een doodenkele uitzondering na, al even armzalig, ze zijn het architectonische equivalent van fastfood, snel gemaakt en snel geconsumeerd. Alles in deze barre oorden heeft een goede reden. Dat begint al met de gronduitgifte van de bedrijventerreinen: de gemeenten verdienen er goud geld aan." Het probleem Probleem van de meeste bedrijventerreinen is, naast de armoedige vormgeving van de afzonderlijke gebouwen, vooral de armoedige compositie van het geheel in combinatie met de hoeveelheid, de volumineuze uitgebreidheid van de terreinen en de meedogenloze schade die ontstaat in het landschap rond dorpen en steden. Per jaar ging het in Noord-Holland de laatste jaren om ongeveer 150 tot 200 bedrijfsgebouwen en om 150 tot 200 ha. weiland dat werd omgezet in bedrijventerrein. Dat is vermoedelijk iets minder aan het worden door de economische recessie, maar als de economie weer aantrekt gaat de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen gewoon verder. Ieder stukje bedrijventerrein op zichzelf is tot daar aan toe, maar alles tezamen is een gruwelijke vernietiging gaande van landschappelijke omgevingen in het veelal groene gebied tussen steden en dorpen in Noord-Holland. In het jaarboek voor landschapsarchitectuur en stedenbouw, dat in 2002 verscheen, zijn waardevolle projecten gepubliceerd die in de twee jaren daarvoor zijn ontwikkeld. Daarin is geen enkel bedrijventerrein opgenomen, terwijl het toch, afgezien van de VINEX-locaties en enkele grote infrastructurele werken, gaat om verreweg de meeste hectares bestemmingsverandering van veelal agrarische gronden in Nederland. Deze omvangrijke projecten in het landschap worden kennelijk niet gezien als een ontwerpopgave. Wie de tekeningen ziet, die eraan ten grondslag liggen, en wie zich verdiept in de planbeschrijvingen van bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen en stedenbouwkundige inrichtingsplannen, die ziet een verbluffend simplisme, waarin een waanzinnige paradox tot uitdrukking komt: in historische binnensteden, voor monumenten en in waardevolle woongebieden worden bij aanvragen voor bouwvergunningen vaak heel minutieus gedetailleerde eisen gesteld aan wat passend is, wat vakmanschap is, wat architectonisch en stedenbouwkundig van voldoende niveau is, terwijl op bedrijventerreinen, in een omvang en een platheid die z'n weerga niet kent, uiteindelijk alles gewoon wordt gehonoreerd, hoe onbenullig ook, en hoe desastreus ook voor het hele gebied eromheen. Het werd de hoogste tijd om dit probleem bespreekbaar te maken. Alle betrokkenen zouden moeten worden aangesproken op wat hier gaande is. Aan welstandscommissies kan niet zomaar een advies worden gevraagd over de kwaliteit van bouwplannen op bedrijventerreinen als alle andere betrokkenen zeggen dat het er niet zo toe doet. Als het om economisch noodzakelijke voorzieningen gaat, als een behoorlijk investeringsniveau in de kwaliteit van de openbare ruimte niet geëist kan worden van afzonderlijke ondernemers, als de gemeente er ook niks aan doet, en als het provinciale bestuur alleen maar op afstand en op hoofdlijnen, "...participerend en faciliterend...", wil mee-besturen, dan kan de welstandscommissie beter ook wat anders gaan doen. Via de 12 welstandscommissies van de stichting Welstandszorg Noord-Holland, die voor 46 gemeenten de welstandsadviezen over bouwplannen moet opstellen, komen jaarlijks ca. 150 bedrijfsgebouwen voor bedrijventerreinen op tafel, waarover een oordeel moet worden uitgesproken. Is het bouwplan goed genoeg voor de locatie? Is het vakkundig ontworpen en past het in z'n omgeving? Wordt er een behoorlijk gevelbeeld neergezet dat samen met de ernaast liggende gebouwen een aantrekkelijke straat vormt? Is er aan het ontwerp iets af te lezen over de functie van het gebouw, over de entree ? En op wat grotere schaal: hoe zie je het gebouw vanaf een afstand, wordt er iets gedaan met het bouwvolume in de sfeer en de structuur van de omgeving, is er een zekere samenhang of staat alles op zichzelf ? Dergelijke vragen zijn karakteristiek voor het gesprek dat in de welstandscommissie wordt gevoerd als er een bouwplan op tafel ligt. Meestal zijn er wel aanknopingspunten voor een zinvolle beoordeling, maar bij bedrijventerreinen stokt vaak het gesprek... Wat moet je vinden van die loodsen? Ze komen er toch, ook als de welstandscommissie een negatief oordeel uitspreekt. De afspraken met ondernemers zijn al gemaakt, de welstandscommissie moet niet zo moeilijk doen. De stichting Welstandzorg Noord-Holland is op zoek naar coalities waarmee het tij gekeerd kan worden; coalities waarmee effectief beleid kan worden afgedwongen om zorgvuldiger om te gaan met het '..weerloze landschap...', waarin eisen kunnen worden gesteld aan de landschappelijke inpassing, aan de vormgeving van het openbare gebied en de afzonderlijke gebouwen, waarin ook de planning van locaties kan worden beheerst en zelfs beperkt ten behoeve van een kwaliteitsoffensief, en waarin tenslotte alle betrokkenen tegen elkaar uitspreken dat de toekomst van de historische ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland op het spel staat. Onderzoeksopzet Het onderwerp van deze studie, de logica van de lelijkheid bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen, is benaderd vanuit twee vragen. De eerste vraag was: welke kwaliteitsnoties en uitgangspunten zijn in overheidsstukken te vinden als basis voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen en wat komt daarvan in de praktijk terecht? Daartoe zijn alle plandocumenten bestudeerd die ten grondslag lagen aan de ontwikkeling van vijf bedrijventerreinen in Noord-Holland. Vervolgens ging het om de vraag waarom er gebouwd is wat er staat, welke mechanismen leiden tot de lelijkheid van de bedrijventerreinen. Daartoe zijn met vijfentwintig betrokkenen gesprekken gevoerd. Over het onderzoeksverslag en de daaruit volgende conclusies is vervolgens een expertmeeting georganiseerd met betrokkenen bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen: vertegenwoordigers van de Provincie Noord-Holland, onderzoekers, architecten, stedenbouwkundigen en ontwikkelaars van bedrijventerreinen. Op basis van het onderzoek van drs. H.C. Meinsma en de expertmeeting konden enkele conclusies en aanbevelingen worden geformuleerd waarmee de stichting Welstandszorg Noord-Holland en andere betrokkenen bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen de komende jaren aan het werk kunnen. Het onderzoek startte met een verkenning van de literatuur, de geschiedenis en het juridisch kader van bedrijventerreinen. Om allerlei abstracte beschouwingen te vermijden is al snel gekozen voor nadere analyse van enkele concrete projecten, vijf bedrijventerreinen in Noord-Holland boven het kanaal, gewone locaties, gewone terreinen met gewone functies, maar wel gelegen nabij kleine dorpen, zoals bij Anna Paulowna en Wervershoof, èn grootstedelijke locaties zoals in Zaanstad, Heerhugowaard en Hoorn. Samen vormen ze een representatief beeld van het 'gewone' bedrijventerrein. Van deze bedrijventerreinen zijn de bestemmingsplannen opgevraagd, alsook de bestemmingsplannen van de aangrenzende terreinen. Na bestudering van deze plannen is per terrein met een vijftal personen een uitgebreid gesprek gevoerd over de totstandkoming van het terrein en over de motieven die hebben geleid tot de vormgeving en de inrichting van het terrein. Vervolgens zijn alle interviews geanalyseerd en is bepaald welke factoren daaruit naar voren komen als doorslaggevend voor de vormgeving en de inrichting van de terreinen. Analyse van beleidsdocumenten De laatste 20 jaar maakt de uiterlijke verschijningsvorm van het Nederlandse landschap een enorme verandering door. Het begon geleidelijk. Eerst leken het nog incidenten. Inmiddels is vast te stellen dat het om een structurele koerswijziging gaat. Er ontstaat een steeds verder doorgevoerde geografische scheiding tussen wonen en werken. Als je in een stad woont, dan moet je steeds vaker voor allerlei diensten "de stad uit" . Waar vroeger agrarisch landschap was, staan nu bedrijven met grote parkeerplaatsen. Ze staan gerangschikt in een dichtheid die bekend is van ruime villawijken. Maar veel "schoons" is er niet te zien. De gebouwen zijn overwegend oninteressant en aan de erven is ook niets te beleven : hoge hekken, opslag, parkeerplaatsen, hier en daar een rij bomen en langs de wegen lantarenpalen. Statistisch neemt de hoeveelheid grond in gebruik voor bedrijventerreinen sneller toe dan voor wonen. Bij bijna iedere stad van enige omvang, en inmiddels ook bij de meeste dorpen, moet men eerst een reeks bedrijventerreinen passeren alvorens in woongebieden te arriveren. Vanuit de Nederlandse stedenbouwkundige traditie werd lang neergekeken op de Amerikaanse praktijk waar bedrijven en winkels links en rechts een decor langs de snelwegen vormen. Het lijkt wel alsof Amerika nu als voorbeeld wordt genomen voor een eindeloze gebouwproductie langs alle doorgaande rijkswegen en provinciale wegen. Onvrede over deze ontwikkeling is niet van vandaag of gisteren. En het gaat ook niet alleen om de architectonische of stedenbouwkundige kwaliteit. Zo is er al lang kritiek op de geringe bebouwingsdichtheid, hier en daar worden pogingen gedaan om het vaak heel extensieve grondgebruik te verminderen. Ook duurzaamheid van grondgebruik en opstallen staan in de belangstelling. Hier en daar worden pogingen gedaan om verouderde terreinen via herstructurering op te knappen. Soms wordt dan ook gestreefd naar verbetering van de inrichting van de openbare ruimte en de landschappelijke inpassing. En nu is er dan ook nog de architectonische en stedenbouwkundige schraalheid die aan de agenda wordt toegevoegd. Waar richt die onvrede zich op? Wie is er voor verantwoordelijk? Betrokken bestuurders, ambtenaren en ontwikkelaars zijn meestal niet geneigd lang stil te staan bij wat lelijk is en waarom iets onder de maat is. Over kwaliteit kan verschillend worden gedacht, wordt al snel gezegd, het gaat hier om economisch noodzakelijke voorzieningen en het is toch goed voor de werkgelegenheid? In de beleid- en plandocumenten, die zijn bestudeerd, waren nauwelijks aanknopingspunten te vinden voor de na te streven stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit. Anders dan bij de ontwikkeling van grote woningbouwlocaties ontbreken hier richtinggevende en normstellende bestemmingsplanbepalingen, beeldkwaliteitsplannen, stedenbouwkundige programma's van eisen en typologie-studies. Alles is erop gericht om nog tijdens de realisatie alle mogelijke aanpassingen te kunnen bewerkstelligen en ook om zo weinig mogelijk kwalitatieve verplichtingen aan welke partij dan ook op te leggen. Zo kunnen grondtransactie-voorwaarden meestal steeds geheel vrij overeengekomen worden volgens alle wensen van iedere ondernemer die zich meldt, en zo is ook de gemeente vrij om een zodanig investeringsniveau voor de inrichting van de openbare ruimte te kiezen dat een zo groot mogelijke grondopbrengst is gewaarborgd. In een van de bestemmingsplannen staat het begrip 'ruimtelijke kwaliteit' gedefinieerd als "....de te bereiken kwaliteit in verband met ruimtelijke elementen, zoals situatie en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in het plangebied..." Daar is vermoedelijk lang over nagedacht, maar het levert natuurlijk weinig houvast bij de beoordeling van afzonderlijke bouwplannen. Bij de selectie van de terreinen was niet bekend wie een leidende rol vervulde bij de totstandkoming ervan. Dat aspect bleek onmiskenbaar van invloed te zijn op de kwaliteit van de inrichting van terreinen. Waar de gemeente zich beperkt tot het vaststellen van kwalitatieve randvoorwaarden en controle op de kwaliteit van de uitvoering en de oplevering, en zich niet ook tegelijkertijd als ontwikkelaar opstelt, daar blijkt de kans op een goede architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit groot. De vraag, hoeveel medewerking de initiatiefnemers en opdrachtgevers durven te vragen van een toekomstige gebruiker, blijkt van groot belang voor de kwaliteit van een terrein. Uit commerciële overwegingen en om hun concurrentiepositie ten opzichte van andere gemeenten niet nadelig te beïnvloeden, stellen de meeste gemeenten in die rol hun eisen niet al te hoog. Ze schatten de bereidheid tot medewerking van bedrijven niet hoog in, hetgeen de kwaliteit over de hele linie negatief beïnvloedt. Meer in het algemeen blijken de verschillende overheden van mening dat waar vraag naar grond is, ook aanbod moet zijn. Bedrijventerreinen moeten omdat het moet. Te weinig realiseert men zich dat er met ieder nieuw terrein een te herstructureren oud terrein bij komt, waar voorlopig geen geld en geen belangstelling voor is, en waar dus al snel panden worden dichtgetimmerd en de boel in verval raakt. Gemeenten zijn sinds de gemeentelijke decentralisatie halverwege de jaren tachtig steeds meer als een bedrijf - als projectontwikkelaar - gaan functioneren. Een veel gehoorde doelstelling op lokaal niveau is "bevordering van de werkgelegenheid voor de ingezetenen van de eigen gemeente", en die doelstelling rechtvaardigt het streven om zoveel mogelijk bedrijven binnen de gemeentegrens aan te trekken. Er wordt geconcurreerd met buurgemeenten door grond beschikbaar te hebben tegen net iets lagere grondprijzen De vraag naar bedrijventerreinen blijft groot vanwege deze relatief lage grondprijzen. Maar er is een tweede factor die de vraag naar bedrijventerreinen de afgelopen jaren enorm heeft gestimuleerd: de geleidelijke verbreding van de definitie van soorten bedrijven die zich er kunnen vestigen. Steeds kapitaalkrachtiger categorieën (winkels, kantoren, mengvormen van wonen en werken) kwamen op de lage grondprijzen af en gemeenten speelden graag op deze vraag in. Daardoor werden steeds meer bedrijven de stad uitgetrokken, terwijl er ook een trek van bedrijven van oude naar nieuwe terreinen op gang is gekomen. Die nieuwe terreinen zijn aantrekkelijker vanwege de beter geoutilleerde infrastructuur en de nieuwe bedrijfsgebouwen hebben meestal lage energiekosten, lage onderhoudskosten en nagenoeg onbelemmerde uitbreidingsmogelijkheden in de toekomst. Uit marktonderzoek blijkt zodoende steeds weer 'vraag' te zijn, als de grondprijs maar laag is en de voorzieningen net iets beter dan op oude terreinen. Onderwijl vindt steeds verdergaande ontmenging van wonen en werken plaats. Zo zijn in Nederland overal gebieden ontstaan van geringe stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit, een soort "no-go-areas", je gaat er niet heen als je er niks te zoeken hebt. Wonen, werken en recreëren zijn planningscategorieën, die op macro- en microniveau in een bepaalde samenhang aan bod dienen te komen om een leefbare omgeving te waarborgen. Maar ruimtelijke integratie vindt op deze verschillende niveaus steeds minder plaats. Op bedrijventerrein zijn de groen- en watervoorzieningen, de openbare ruimte en de ecologische zones het kind van de rekening. In de globaal gehouden bestemmingsplannen wordt zo weinig mogelijk vastgelegd met betrekking tot de openbare ruimte, soms worden zelfs de profielen van de wegen maar heel summier uitgewerkt. Potentiële recreatieve elementen of landschappelijke structuren met een zekere esthetische of cultuurhistorische waarde worden zelden benut, terwijl bijvoorbeeld de toegenomen behoefte aan waterbergingsoppervlak daarvoor vaak allerlei voor de hand liggende aanleidingen geeft. Overigens zitten ook ondernemers vaak niet te wachten op meer dan de allernoodzakelijkste voorzieningen: een plak asfalt, een inrit en wat lantarenpalen is voldoende. De trek van de bedrijven de stad uit heeft zo niet alleen een verschraling van de stad tot gevolg, (potentiële) recreatiemogelijkheden rond de stedelijke kernen verdwijnen in hoog tempo zonder deze te compenseren. Al met al betekenen deze ontwikkelingen een ernstige aanslag op het zorgvuldig vormgegeven landschap en op de leefbaarheid van Nederland. Geen van de direct bij de aanleg van de terreinen betrokken partijen heeft belang bij een zo hoog mogelijk landschappelijke kwaliteit. De welstandscommissies hebben een te marginale rol om de ontwikkeling ten goede te kunnen keren. De interviews. In open interviews is over de totstandkoming van bedrijventerreinen gesproken met vertegenwoordigers van de gemeenten, ontwerpers van binnen en buiten de gemeenten, projectontwikkelaars en directeuren van bedrijven. De gesprekken verliepen nogal verschillend, omdat niet iedereen even openhartig wilde zijn. Pas door het combineren van de gegevens ontstond een helder beeld over het totstandkomen van de terreinen. Alles bij elkaar leverden de gesprekken een onthutsend beeld op over de kwaliteit van de besluitvorming en het niveau van de argumenten waarmee dergelijke ontwikkelingen worden gestuurd. Enkele voorbeelden om de sfeer te proeven. Duidelijk is dat er veel fouten worden gemaakt. In één situatie werd de eerste paal geheid op het terrein van de buurman. Ook nutsvoorzieningen kwamen soms op het terrein van particulieren terecht. En er waren veel afwijkingen van bestemmingsplannen te constateren. Daar ging men maar liever niet al te diep op in. In een aanbiedingsbrief bij een bestemmingsplan stond kort en helder geformuleerd hoe en waarom het plan, sinds er inspraak was geweest, nog was gewijzigd: "..... de groenstrook is versmald van 15 naar 8 meter, omdat daardoor minder geïnvesteerd hoefde te worden in de inrichting en afwerking van het terrein, en ook vanwege de lagere onderhoudskosten en de vergroting van het uitgeefbare terrein...." Een ondernemer zei daarover: "... groenstroken kunnen fraai zijn, maar ze worden vaak niet goed onderhouden, en dan kun je ze dus beter niet hebben." Zo bleken de belangen dus toch weer overeen te komen. Soms werd een verklaring van geen bezwaar aangevraagd als van het plan werd afgeweken. "Maar het is ook veel werk om strijdigheden met het bestemmingsplan aanhangig te maken als dat vervolgens ook nog eens ongedaan gemaakt moet worden." Vaak gaat het gewoon zomaar anders dan is afgesproken... Als in het bestemmingsplan twee ontsluitingswegen staan, en bij nader inzien blijkt in een later stadium één weg ook voldoende, dan komt er gewoon maar één. Een ondernemer vertelde trots dat aan de bouw van zijn bedrijf geen architect aan te pas is gekomen. Samen met zijn vrouw heeft hij de hal ontworpen en de materialen bepaald. Ze hebben zich eerst georiënteerd door rond te rijden in de contreien van Veenendaal en Barneveld. Daar staan mooie hallen langs de snelweg. Toen het ontwerp klaar was en de details van de constructie waren uitgezocht door een bouwkundig bureau, heeft hij zelf de platen besteld en is het gebouw onder zijn eigen leiding gebouwd. Nu staat er een grote hal van 10.000m2 waarvan hij bijna de helft verhuurt. Er staat een klein kantoortje bij dat de welstandscommissie liever gemetseld had gezien, maar na een paar keer praten was het zo ook akkoord. Eén terrein is aangelegd door en voor een veiling. Nu staan al weer een paar jaar meer dan de helft van de gebouwen leeg omdat de veiling naar elders is verhuisd. Het terrein wordt door een of andere eigenaar op grote afstand beheerd, met herbestemming wordt kennelijk geen haast gemaakt en nu is het natuurlijk een rommeltje geworden.. "als je ondernemers hun gang laat gaan, dan krijg je dat," zegt een ambtenaar van de gemeente. En als er vlak naast een nieuw bedrijventerrein een oud bedrijventerrein ligt met leegstaande panden, verlaten en dichtgetimmerd, dan gaat het gesprek over de verantwoordelijkheid voor het verval en over de mogelijkheden om een herontwikkeling te initiëren. Maar wie moet daarin het voortouw nemen?? De investeringen voor de oude panden zijn inmiddels wel afgeschreven. Soms staat de boel gewoon leeg en komen er allerlei louche handeltjes terecht, waarvan het maar goed is dat niet iedereen weet wat er allemaal gebeurt. Maar wat moet je er verder mee?? De gemeente zou wel willen aankopen, maar dan moeten eerst een aantal zaken op orde worden gebracht. "Iedereen zoekt in deze onderhandelingen de grenzen op van wat hem goed uitkomt. Er zijn geen harde contracten of normen waarop kan worden teruggevallen, en voor zover die er zijn, bijvoorbeeld in het bestemmingsplan, kan altijd een 'verklaring van geen bezwaar' worden afgegeven als er een voorkeur is om het anders te doen....". De eigenaar/ontwikkelaar van één van de bedrijventerreinen is als voormalig groente- en fruitteler een buitenstaander in de business Hij liet zich daarom adviseren door een vastgoeddeskundige uit Amsterdam. Hij heeft het opstellen van het bestemmingsplan zelf betaald en trekt daarom bij interpretatiekwesties vaak aan het langste eind. Hij weet het beste wat bedoeld werd. Zo komen er meer bedrijfswoningen dan was voorzien, "omdat daarmee de kavels voor veel ondernemers een stuk aantrekkelijker zijn. De boeren in de omgeving wonen toch ook op hun erf?". De grond voor die woningen is natuurlijk veel goedkoper dan in gewone woongebieden. Eigenaren speculeren erop dat het op den duur mogelijk zal zijn om woningen en bedrijven apart te verkopen. Eén bedrijfshal, voorzien van bedrijfswoning, is al in gebruik van iemand die overdag gewoon heel ergens anders werkt. Als bewoner moet je er ook heel wat voor lief nemen. De verkeersveiligheid op het terrein is niet optimaal door slechte zichtlijnen, grote vrachtwagens lopen soms vast omdat de grond van het bedrijventerrein niet is opgehoogd, het uitzicht vanuit woningen op loodsen aan de overkant is soms wel heel treurig ondanks de kabouters en de wagenwielen in de voortuin, en voor wat betreft de toekomst: je weet natuurlijk nooit zeker welke bedrijven je hier allemaal als buur of als overbuur krijgt. In opdracht van de gemeente is nog wel een beeldkwaliteitplan gemaakt, maar op de meest beeldbepalende plek kwam een elektriciteitshuisje te staan. En omdat aan meer bouwwerken, die ermee in strijd zijn, toch een vergunning is verleend, levert het beeldkwaliteitplan voor de toekomst ook weinig houvast. Op dit moment zijn de kosten van de ontwikkeling van het terrein er uit, grond die nu nog verkocht wordt is dan ook echte winst voor de ontwikkelaar. De grondprijzen zullen de komende tijd zeker stijgen, dus met verkoop van de laatste kavels wordt geen haast gemaakt. Vaak deden zich onduidelijkheden voor over de verdeling van taken en bevoegdheden tussen gemeente en de projectontwikkelaar. Zo bleken de gebruikte digitale kaarten in het veld niet precies genoeg te zijn, wat heel wat onenigheid opleverde over erfafscheidingen, riooltracé's en rooilijnen. "Gelukkig is alles steeds in der minne geschikt, want het is onduidelijk wie er nu werkelijk verantwoordelijk is voor goed kaartmateriaal..." Conclusies uit het onderzoek. "Alles in deze barre oorden heeft een goede reden....", schreef Bernard Hulsman in zijn column over bedrijfsterreinen in de NRC Hoe komt het dat bedrijventerreinen zo lelijk zijn, wat is de logica van de lelijkheid? 1. De belangrijkste reden voor het ontstaan van "lelijke bedrijventerreinen" is te vinden in de verandering van de overheidsfinanciën. Tot de jaren tachtig was het ongebruikelijk dat een overheid winst zou maken. De burgerij betaalde in de vorm van belastingen en heffingen het overheidsapparaat en de diensten die de overheid daarvoor levert. En als niet iedere burger van een overheidsdienst gebruik maakte, dan kon de rekening worden gepresenteerd aan degene die dat wel deed, maar die rekening kwam dan overeen met de kostprijs (retributies). Sinds de gemeentelijke decentralisatie na halverwege de jaren tachtig, toen ook de leus "meer markt, minder overheid" populair werd, is dat principe losgelaten en is het maken van winst (het vragen van marktprijzen), bijvoorbeeld op grond, gebruikelijk. De bereidheid om kosten te maken voor een kwalitatief goede stedenbouwkundige opzet is, nu de excessieve kosten niet meer worden gedekt door rijkssubsidies, ernstig gedaald. Alles draait nog slechts om het aantal vierkante meters te verkopen grond, snel, en met zo groot mogelijke en risicoloze winstmarges. 2. Het garanderen, stimuleren en controleren van de kwaliteit van de gebouwde omgeving staat op gespannen voet met deze nieuwe "overheidstaak": het maken van winst op verstedelijkingsprocessen. Regels stellen, normen controleren en handhaven èn commerciële ambities laten zich ook moeilijk in één instantie onderbrengen. 3. Het bestemmingsplan - vanouds het contract van de overheid met de burgerij over de (toekomstige) kwaliteit van de gebouwde omgeving - krijgt tegen deze achtergrond een andere positie. Treedt de gemeente op als ontwikkelaar en commercieel belanghebbende, dan wordt gekozen voor zoveel mogelijk flexibiliteit en zo weinig mogelijk dwingende bepalingen. Als particulieren het bouwrijp maken en de locatie-ontwikkeling voor hun rekening nemen, dan kan het bestemmingsplan aan de gemeente houvast bieden om kwaliteit te eisen, mits alle relevante planaspecten goed gedetailleerd zijn. In beide gevallen blijkt in de praktijk nogal eens afgeweken te worden van de officiële plandocumenten. Dat kan omdat het toezicht minimaal is en uiteindelijk maar weinig personen en instanties direct belang hebben bij het eindresultaat in andere termen dan in financieel gewin. Kwalitatieve overwegingen worden zo al gauw op de achtergrond geschoven. Waar ruimtelijke kwaliteit niet als doelstelling is vastgelegd of te verdedigen valt, verslapt de interesse. 4. Lage grondprijzen en het steeds verder verbreden van de categorieën bedrijven die mogen uitwijken naar een bedrijventerrein houdt de vraag naar nieuwe bedrijfsterreinen als vanzelf in stand. Op rijksniveau gaat men er vooralsnog vanuit dat voor iedere vraag naar grond ook aanbod moet zijn. De kwaliteit van de gebouwde omgeving en het landschap wordt daaraan voortdurend ondergeschikt gemaakt. 5. Door het ruime aanbod van goedkope grond in gemeenten die met elkaar concurreren om bedrijven binnen te halen, kiezen bedrijven er vaak gemakkelijker voor te verhuizen naar een nieuwe plek, dan op de oude plek de gebouwen te onderhouden en aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Spontane revitaliseringsprocessen komen daardoor bijna niet voor. Oude terreinen worden verlaten en raken in verval. 6. Door het invoeren van de residuele kostprijsberekening bij het bepalen van grondprijzen voor woningbouw zijn de grondprijzen voor woningen en bedrijven sterk uit elkaar gedreven (hoge grondkosten voor woningen en lage voor bedrijven). Wellicht onbedoeld bevordert dit verschil in berekeningswijze de scheiding van wonen en werken. Het bemoeilijkt het opnieuw integreren van deze functies. 7. Bij gemeenten bestaat de neiging de kosten voor het bouwrijp maken zo laag mogelijk te houden, waardoor de stedenbouwkundige kwaliteit van de plannen navenant laag is. Door de simpele stedenbouwkundige verkaveling en de eenvoudige en altijd wel aan te passen bebouwingsvoorschriften (vaak niet meer dan een bebouwingspercentage, een rooilijn en een bouwhoogte) worden ondernemers niet uitgedaagd veel te investeren in de architectuur van de gebouwen. Een laag investeringsniveau, lage grondopbrengsten, een schrale kwaliteit van inrichting en bebouwing, de enkelvoudige doelstelling van alle partijen om winst te maken en wel zo snel mogelijk en met zo weinig mogelijk inspanning, dit alles samen vormt een keten van logica waarin het ene kraaltje stevig vastzit aan het volgende. 8. Ondernemers kopen graag een ruim kavel: de grond is goedkoop en moet ruimte bieden voor onbelemmerde mogelijkheden in de toekomst. De ruime opzet van bedrijventerreinen maakt dat de onderhoudskosten van de openbare ruimte op bedrijfsterreinen in verhouding hoog zijn. Gemeenten beperken zich daarom tot het minimum of proberen het onderhoud af te schuiven op de gezamenlijke eigenaren. 9. Door het gebrek aan toezicht en aan beheerinstrumenten ontstaat gemakkelijk ruimte voor allerlei ontwikkelingen, die ongewenst en ontoelaatbaar zijn (diefstal, onveiligheid, geheime opslag, ongeoorloofde onderverhuur). Wellicht is dit ook een van de oorzaken voor de noodzaak van hoge hekken en slagbomen. 10. Het ruime aanbod van goedkope grond en het ontbreken van dwingende stimulansen om oude bedrijventerreinen efficiënt te blijven benutten maken dat er al snel verval optreedt. Dit leidt tot dure door de overheid geïnitieerde herstructureringsprocessen, waarbij ondernemers nog maar zelden bereid zijn om grote investeringsrisico's te nemen. De expertmeeting Op de avond van 7 oktober 2003 kwam in Villa Emma te Alkmaar een bont gezelschap bijeen met - in ieder geval - één gemeenschappelijk kenmerk: allen zijn betrokken bij de realisering van bedrijventerreinen. Aanleiding van de bijeenkomst is de hiervoor beschreven studie naar het tot stand komen van vijf 'gewone' bedrijventerreinen in Noord-Holland. Het ging om de vraag waarom bedrijventerreinen worden wat ze zijn: schraal, armoedig, slecht ingepast in de omgeving, en wat daaraan gedaan kan worden. N. de Vreeze, directeur van WZNH, wees op de enorme oppervlakte van bedrijventerreinen. In Noord-Holland kwam er de laatste jaren per jaar steeds ongeveer 150 hectare bij. Het areaal voor bedrijventerreinen groeide sneller dan het oppervlak voor woningbouw. In de woningbouw wordt over iedere meter nagedacht en is het bon ton om energie te steken in het scheppen of bewaken van de ruimtelijke kwaliteit. Dat mag zelfs iets kosten. Bedrijventerreinen lijken ondertussen grotendeels aan de aandacht van planologische, stedenbouwkundige of architectonische kwaliteitszorg te ontsnappen. Totdat de welstandscommissie aan het eind van de rit wordt gevraagd of een bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet. Nee, natuurlijk niet( De dia's, die tijdens de expertmeeting op de achtergrond werden vertoond, spraken wat dit betreft duidelijke taal. Toch zijn de tekeningen voor al die gebouwen goedgekeurd door een welstandscommissie. Ze passeren, soms na enkele ondergeschikte verbeteringen, als ontwerp met een magere 'zes-min'. Het kan meestal moeilijk anders, de welstandstoets zit aan het eind van het planontwikkelingsproces en zonder heldere criteria, die gebaseerd zijn op een helder geformuleerd ambitieniveau, is zo'n toets eigenlijk nogal zinloos, je zou daar misschien wel gewoon mee moeten stoppen. De vraag die het gezelschap vanavond voorgelegd kreeg, was dan ook: onder welke omstandigheden kan het welstandstoezicht op bedrijventerreinen op een zinvolle en stimulerende manier worden uitgevoerd? Landschappelijke welstand De discussie leverde al snel een thema op dat als een rode draad door de verdere avond zou lopen: de landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen. Het bleek verhelderend om drie schaalniveaus te onderscheiden: * de schaal van het landschap: de locatiekeuze, de presentatie van het terrein op grotere afstand en de vormgeving van de randen van het terrein; * de schaal van de stedenbouw en openbare ruimte van het terrein zelf: de situering van de gebouwen binnen het terrein, ontwerp en inrichting van groen, straten en erven; * de schaal van het gebouw: pas dan gaat het over de 'architectuur' en het welstandstoezicht. Hiermee werd direct het huidige dilemma van het welstandstoezicht op bedrijventerreinen duidelijk. Het welstandstoezicht heeft hoofdzakelijk betrekking op het laagste schaalniveau, terwijl belangrijke factoren voor de lelijkheid - of liever voor de schoonheid - van bedrijventerreinen vooral op het hoogste schaalniveau liggen. Bovendien is de publieke betekenis van mono-functionele bedrijventerreinen op het laagste schaalniveau gering: wie zo'n terrein oprijdt doet dat alleen als hij of zij er wat te zoeken heeft. Het lokale bestuur zal zich dus altijd moeten afvragen hoe ver men moet gaan om in zo'n gebied op gebouw- en kavelniveau gedetailleerde welstandseisen te stellen, vooral als op de hogere schaalniveaus en in de sfeer van functionele differentiatie weinig inspanning wordt geleverd om een hoogwaardig gebied te realiseren. Juist op het hoogste schaalniveau zijn vormgevingsprincipes en ontwerpuitgangspunten van het grootste belang. De schade aan het landschap door de onzorgvuldige of eenzijdige locatiekeuze van bedrijventerreinen is enorm. Volgens de aanwezigen zou het provinciale bestuur de aangewezen instantie zijn om belangen op die landschappelijke schaal te behartigen, maar medewerkers van de provincie bevestigden dat bij de uiteindelijke locatiekeuze vooral werkgelegenheid, voorraadvorming en bereikbaarheid een rol spelen. Stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten lijken uit het vocabulaire van de provincie te zijn verdwenen. Een eerste belangrijke conclusie was dat architectonische kwaliteit op bedrijventerreinen wellicht niet altijd noodzakelijk is, maar dat landschappelijke kwaliteit bijna overal node wordt gemist. De aanwezigen waren het erover eens dat 'stressbestendige landschapsarchitectuur' nodig is om bedrijventerreinen zo te situeren dat ze het landschap niet aantasten. Gesuggereerd werd om gemeenten op dit punt te laten concurreren: niet het best bereikbare bedrijventerrein zou gehonoreerd moeten worden maar het terrein dat landschappelijk het minste schade aanricht. Samenhang tussen ruimtelijke en programmatische kwaliteit Een tweede belangrijk thema was de relatie tussen ruimtelijke en programmatische kwaliteit. Net als ruimtelijke kwaliteit kent ook programmatische kwaliteit verschillende schaalniveaus, van het grootschalige regionale bedrijventerrein tot de talloze kleine uitbreidingslocaties bij gemeenten, de herstructureringsgebieden en de verdichtingslocaties in bestaand stedelijk gebied. In Alkmaar geeft een groot nieuw bedrijventerrein in het buitengebied gelegenheid bedrijven uit de binnenstad over te plaatsen, zodat in de stad kansen ontstaan voor nieuwe functies en kwaliteiten. Maar in Zaanstad zuigt een nieuw bedrijventerrein het ernaast gelegen oude terrein leeg zonder dat daar plannen zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Leegstand blijkt echter geen rol te spelen bij de provinciale planning van nieuwe bedrijventerreinen, en de greep op programmatische zaken als functiemenging, duurzaamheid en dichtheid is uiteindelijk beperkt. Een verhitte discussie ontstond over de opmerking dat de kwestie waar we het over hebben hoofdzakelijk een ordeningsvraagstuk is. De huidige planologische praktijk gooit het liefst alle bedrijven op één hoop, op een breed bedrijventerrein geschikt voor bedrijven van alle milieuhinder- categorieën. Voor gemeenten is dit gemakkelijk en bedrijven kunnen er een kavel op de groei kopen. De grond is relatief goedkoop. Daarom vestigen zich steeds meer dienstverlenende, kantoorachtige bedrijven op bedrijventerreinen. Door 'analytische ordening' zou de (schaarse) ruimte veel efficiënter gebruikt kunnen worden. Meer verdichting en meer menging met andere functies voorkomt leegstand en beperkt de uitbreidingsbehoefte. Bedrijventerreinen zouden alleen toegankelijk moeten zijn voor bedrijven die echt niet passen in een bestaande stedelijke context. Daarmee kwam een volgende conclusie op tafel. Bij de planning van bedrijventerreinen valt in programmatische zin veel te verbeteren. Een nieuw bedrijventerrein zou moeten worden gerelateerd aan een studie naar uitbreidingsmogelijkheden en verdichtingsmogelijkheden in het bestaande stedelijke gebied. Een integrale planologische kijk op het ordenen van bedrijven en andere functies kan ruimte besparen en geeft aanleiding voor een nieuwe uitdagende ontwerpopgaven. Het bedrijventerrein als ontwerpopgave Halverwege de avond volgde de onthutsende constatering dat er ten aanzien van bedrijventerreinen een geweldige ontwerpopgave ligt in Noord-Holland, die echter nauwelijks wordt herkend en waarvoor niemand zich verantwoordelijk voelt. Op het hoogste schaalniveau van de locatiekeuze en de landschappelijke inpassing, waar eisen vanuit de ruimtelijke kwaliteit overduidelijk zeer legitiem zijn, vindt nauwelijks een ontwerpactiviteit of kwaliteitsbeoordeling plaats! De Provincie Noord-Holland zou hier een leidende, sturende en tenminste stimulerende rol op zich moeten nemen. En dan gaat het niet om méér regeltjes of procedures maar om goede mensen en een werkapparaat waar stedenbouw en landschapsarchitectuur een volwaardige positie hebben. Er gloort in dit opzicht een sprankje licht aan de horizon want in het nieuwe streekplan Noord-Holland Noord is een beeldkwaliteitplan verplicht gesteld voor gemeenten die bedrijventerreinen willen uitbreiden. Onduidelijk blijft echter hoe de kwaliteit van dergelijke plannen wordt getoetst. Vanuit Gelderland werd de suggestie gedaan om de provincie alleen te laten meewerken aan de uitbreiding van bedrijventerreinen na een positief advies over de landschappelijke inpassing door een provinciale welstandsorganisatie. Deze verantwoordelijke rol is in Gelderland al jaren aan het Gelders Genootschap toegekend. Hoe het ook zij, met beeldkwaliteitplannen op het niveau van het individuele bedrijventerrein is de regionale of provinciale ontwerpopgave nog niet gedekt. Wat zijn bijvoorbeeld de landschappelijke consequenties van het enorme areaal dat in het streekplan Noord-Holland Noord is aangewezen voor bollenteelt? Zichtbaar maken van de beleidsopgave In het laatste deel van de expertmeeting ging het om de vraag wat de rol van WZNH binnen de probleemstelling kan zijn. Hoe kan WZNH de werkwijze zo organiseren dat er een zinvolle bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen? Zonder een groter kwaliteitsbesef van het lokale bestuur gaat het nooit lukken. Dat betekent dat WZNH veel aandacht zal moeten besteden aan het agenderen van het probleem als beleidsopgave en duidelijk moet maken dat het economisch beleid ruimtelijke inrichtingsvraagstukken oplevert. Den Helder bijvoorbeeld, met een gegeven economische taak als off-shore stad, kan concluderen dat daar qua ruimtelijke kwaliteit geen eer aan te behalen valt, maar kan het gegeven ook oppakken als ontwerpopgave en zoeken naar de beste regionale ruimtelijke oplossingen. Ook 'zendingswerk' gericht op ondernemers kan van belang zijn. Kwaliteitseisen worden (naast alle planologische, bouwkundige en milieutechnische eisen) al snel als opgelegde verplichting ervaren. Braaf aan de regels voldoen levert echter geen ruimtelijke kwaliteit op. Waar het in feite om gaat is het stimuleren van goed opdrachtgeverschap, waarbij niet alleen het eigen gebouw maar ook het terrein als geheel een rol speelt. Laat de ondernemer ook eens verder kijken dan zijn eigen kavel. WZNH kreeg de suggestie rond dit onderwerp een eigen stimulerend architectuurbeleid te ontwikkelen. Een kritisch geluid richting gemeenten en provinciaal bestuur is niet voldoende, er moet een breder klimaat gecreëerd worden voor een kwaliteitsdiscussie en er moet ook worden gezocht naar mogelijkheden om actief andere dan gebruikelijke instrumenten in te zetten. Denk eens aan het organiseren van een ontwerpprijsvraag, een overleg tussen supervisoren, activiteiten in samenwerking met de lokale architectuurcentra. En zoek een onafhankelijk 'boegbeeld' (bijvoorbeeld de gedeputeerde) die de discussie kan trekken. Dialoog tussen ontwerpers en planeconomen In praktijk zijn goede voornemens bij het lokale bestuur niet voldoende. Ambities en goede ontwerpen gaan tijdens de uitvoeringsfase vaak schuiven onder druk van de markt, de economische situatie en het belang van de werkgelegenheid. Kortom, een tekening is nog geen plan. Ontwerpers zouden daarom veel meer aandacht moeten besteden aan de argumentatie bij hun plan en aangeven waarom een bepaalde ruimtelijke strategie vanuit de locatie en het ontwerp noodzakelijk is. Elk ontwerp voor een bedrijventerrein zou in een dialoog tussen ontwerper en planeconoom vertaald moeten worden in een verleidelijk ontwikkelingsplan waar ook de wijde omgeving beter van kan worden. Als knelpunt werd nog gewezen op het feit dat ontwerpers eigenlijk maar weinig afweten van de ondernemingen en de werknemers die uiteindelijk een bedrijventerrein zullen bevolking. Weer is de vergelijking met de woningbouw verbluffend: de fascinatie voor doelgroepen- en leefmilieustudies in de woningbouw komt niet of nauwelijks terug op bedrijventerreinen. Stedenbouwkundig programma van eisen Het stedenbouwkundig programma van eisen is volgens veel aanwezigen een cruciaal document om kwaliteitsambities duidelijk te maken. In Leidsche Rijn zijn zeer goede ervaringen opgedaan met een stevig SPVE, waarin onder meer wordt geëist dat opdrachtgevers een gekwalificeerde architect in de arm nemen. Maar waarin ook duidelijk wordt dat de gemeente zelf ook hoog inzet met ambities voor de inrichting van de openbare ruimte en de groenvoorzieningen. Het SPVE geldt na vaststelling als hard beoordelingskader voor alle initiatieven in het gebied, binnen zo'n kader kan ook de welstandscommissie een zinvolle rol vervullen. Ondernemers en ontwerpers reageren overigens met begrip en enthousiasme op de kwaliteitsambities uit het SPVE. Hoewel de discussie na deze expertmeeting niet als beëindigd kon worden beschouwd, waren er aanzetten voor nieuwe inspiratie en een paar duidelijke actiepunten, zoals: * het benaderen van een zo breed mogelijk gezelschap van betrokkenen in de provincie Noord-Holland; * het zoeken en analyseren van goede voorbeelden; * het aanspreken van gemeenten op het hogere schaalniveau van de welstand en de welstandsbeoordeling meer richten op het gebouw in zijn context dan op het gebouw zelf; * aandacht voor de procedurele kant van de ontwikkeling van bedrijventerreinen, als eerste waarborg voor ruimtelijke kwaliteit; * het onderwerp zoveel mogelijk op de agenda krijgen, bijvoorbeeld door in alle jaarverslagen die de WZNH-welstandscommissies maken voor de afzonderlijke gemeenten, het thema aan de orde te stellen. Een strategie voor welstandstoezicht. Welstandscommissies zullen vanaf juli 2004, als gevolg van de onlangs gewijzigde Woningwet, alleen nog mogen oordelen over bouwvergunningsaanvragen als die oordelen, positieve of negatieve, kunnen worden gebaseerd op beleidsuitgangspunten die door de gemeenteraad zijn vastgelegd in een welstandsnota. Voor bestaande buurten en wijken en voor incidentiele bouwwerken in het landschap kunnen daarvoor voldoende aanknopingspunten worden ontleend aan bestaande karakteristieken van de omgeving waarin het bouwwerk wordt geplaatst. Voor grote ontwikkelingslocaties is dat niet het geval. In de beleidsnota's die onder supervisie van de stichting WZNH worden opgesteld, is daarvoor de bepaling opgenomen dat de welstandscommissies pas zullen oordelen over bouwplannen op ontwikkelingslocaties als er voor die locatie specifieke welstandscriteria zijn opgesteld, gekoppeld aan een gedetailleerd stedenbouwkundig programma van eisen en liefst nog aangevuld met een zogenaamd beeldkwaliteitsplan. Dit principe zal vergaande consequenties hebben voor de behandeling van bedrijfsgebouwen op bedrijventerreinen. Immers, er moet dan meer gepresteerd worden dan een globaal bestemmingsplan en een lijstje met aandachtspunten (....zelfs dat ontbreekt nu vaak) Deze nieuwe werkwijze zal de inzet van gemeentebesturen rond de ontwikkeling van bedrijventerreinen zichtbaar maken. Immers, als er te weinig aanknopingspunten voor een zinvolle bouwplanbeoordeling zijn ontwikkeld, dan zal geen welstandstoets kunnen plaatsvinden. Naast deze formele procedure zal de stichting WZNH proberen te bevorderen dat in de commissies, buiten de procedure van de bouwvergunning om door afzonderlijke gemeenten voldoende aandacht wordt besteed aan bestemmingsplannen en daarbij horende stedenbouwkundige uitwerking- en inrichtingsplannen. Het gaat dan vooral om een serieuze inspanning voor ieder bedrijventerrein om landschappelijk enige aansluiting te waarborgen door een goed beplantingsplan, inrichting van de openbare ruimte, erfafscheidingen en water. De commissies kunnen gemeentebesturen en stedenbouwkundigen, nadrukkelijker dan tot nu toe, aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor plandocumenten die zo expliciet en inspirerend zijn, dat ze het uitgangspunt kunnen vormen voor de goed gefundeerde beoordeling van afzonderlijke bouwplannen. Tot slot. Alleen met welstandstoezicht zal het niet gaan. Welstandstoezicht is een in de Woningwet vastgelegde bevoegdheid voor gemeentebesturen om bouwvergunningsaanvragen te beoordelen op esthetische grondslagen. Voor de meeste bouwvergunningsaanvragen zijn daarvoor in de nabije omgeving, de buurt, de straat, de belendingen, voldoende aanknopingspunten te vinden. Bij bouwwerken op bedrijventerreinen ligt dat anders. Als niemand zich inspant om een zekere kwaliteit in architectuur en stedenbouw, in straatbeelden en bebouwingsstructuren op te leggen of af te dwingen, dan kan de welstandscommissie ook niet anders dan berusten in een marginale rol aan het einde van het ontwerpproces. Regionalisering van het aanbod van bedrijventerreinen, waardoor grotere terreinen ontstaan, zou de kwaliteit van de huidige bedrijventerreinen ten goede kunnen komen. Zolang de financiële resultaten van de ontwikkeling van bedrijfsterreinen rechtstreeks bijdragen aan de begroting van iedere afzonderlijke gemeente, zullen afzonderlijke gemeenten hier niet zonder meer aan meewerken en is een regionale aanpak gedoemd te mislukken. Het wordt de hoogste tijd om vast te stellen dat de huidige wijze waarop terreinen voor bedrijven worden gereserveerd en ingericht ongewenst is, omdat het tot een onaanvaardbare vernietiging van landschap leidt en omdat het op lange termijn ook economisch onverstandig is om zo verkwistend om te gaan met materiaal en ruimte. Hogere overheden moeten lagere overheden stimuleren en zo nodig opleggen dat de revitalisering van oude bedrijventerreinen en de ontwikkeling van nieuwe weer worden gezien als een stedenbouwkundige en landschappelijke ontwerpopgave, èn als een regionale ontwerpopgave! Bestemmingsplannen, die eraan ten grondslag liggen, dienen niet alleen een juridisch kader op te leveren voor bestemmingen en inrichting van terreinen, maar ook een kwalitatief kader voor stedenbouwkundige en architectonische planvorming, zoals het bestemmingsplan oorspronkelijk ook bedoeld was!! Veel zal afhangen van een actieve opstelling van het provinciale bestuur in het kader van de bevoegdheid om bestemmingsplannen te toetsen en intergemeentelijke samenwerking te bevorderen. Uiteindelijk zal het vooral afhangen van de mentaliteit en de ambities van alle betrokkenen. Het "doe ik dit niet, dan hoef jij dat niet", moet veranderen in "als ik dit doe, dan mag ik van jou dat verwachten", ofwel als gemeenten een goed stedenbouwkundig kader bieden en de realisatie daarvan waarborgen, dan pas mag van ontwikkelaars en ondernemers een waardevolle bijdrage in de vorm van fraaie gebouwen worden verwacht. Colophon. Uitgave: stichting Welstandszorg Noord-Holland Alkmaar, februari 2004 Eindredactie: dr.ir. N.de Vreeze Onderzoek: drs.H.C. Meinsma Verslag expertmeeting: drs. J. van Campen Deelnemers expertmeeting: Mevr. A.C. van Buiten, architect lid WZNH Commissie NHM Prof.ir.Tj. Dijkstra, stedenbouwkundige/architect ir. C.v.d.Esch, directeur Gelders Genootschap, Arnhem Mevr. ir. A. Hellinga, Provincie Noord-Holland, afd. RWB Mevr. N. Hugenholtz, projectmanager Vastgoed Leidsche Rijn Mevr. M. Lammers, voorzitter WZNH-commissie Haarlemmermeer Dr. E. Louw, Onderzoeksinstituut TB, TU Delft ir. P. Kunzli, directeur Gideon Consult Rotterdam Mevr. drs. H. Meinsma, planoloog, Amsterdam drs. G. Middelkoop, planoloog, directeur bureau Middelkoop, Haarlem ir. A. Mudde, stedenbouwkundige, hoofd afd RO gemeente Den Helder H.J. de Nijs, oud-burgemeester, oud-voorzitter WZNH Commissie Hoorn Mevr. J. Overbeek, medewerker Bureau Middelkoop ir. H. Pouw, architect / secretaris WZNH Commissie NHM F. Smit, stedenbouwkundige gemeente Heemskerk G. Urhahn, stedenbouwkundige Amsterdam O. Vlaanderen, architect / voorzitter WZNH Commissie voor Second Opinions F. Bakker, hoofd afdeling RO gemeente Alkmaar R. Wezenberg, Provincie Noord-Holland, regiocoördinator Kennemerland. Luchtfoto's : P. van Bolhuis, Pandion. Maaiveld-foto's: N. de Vreeze Grafisch ontwerp publicatie: Design Arbeid Amsterdam Drukwerk: Het integrale onderzoekverslag is voor E 65,- te bestellen bij de stichting Welstandszorg Noord-Holland in Alkmaar, tel.: 072 - 520 44 59 "De logica van de lelijkheid, de ontwikkeling van bedrijventerreinen in Noord-Holland" werd mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van het Stimuleringsfonds voor Architectuur te Rotterdam.