WZNH
De culturele
agenda van
welstandscommissies
dr. ir. Noud de Vreeze
directeur Stichting Welstandszorg Noord-Holland
Jaarvergadering van de Federatie Welstand
Amsterdam 8 oktober 2004
Natuurlijk moet er over de procedures en de kwaliteit van het welstands-
advieswerk voortdurend gediscussieerd worden, natuurlijk moet de
praktijk goed gevolgd worden en natuurlijk moet het niet ontaarden in
oncontroleerbaar subjectief en elitair achterkamertjesgedoe. Ook de
afgelopen jaren is daarover weer veel nagedacht en gesproken, tot in de
Tweede Kamer toe. Door de wijziging van de Woningwet die op 1 januari
2003 van kracht is geworden zouden de welstandscommissies en hun
overkoepelende organisaties wel eens op een verrassende wijze aan
belang en vakinhoudelijke betekenis kunnen winnen.
De culturele
agenda van
welstandscommissies
Het is nog steeds zo: op verjaardags-feestjes wordt vaak vrolijk maar fanatiek gekankerd op welstandscommissies. Vooral
als er architecten in het gezelschap zijn komen er treurige anekdotes op tafel over de arrogante beoordeling die ze zich steeds
opnieuw moeten laten welgevallen, vaak van collega-architecten die net commissielid zijn geworden en die zelf ook niet echt
prachtig presteren, of van gesjeesde architecten die alleen nog maar welstandscommissies doen, maar die plotseling wel erg
goed weten hoe het allemaal beter kan, hoe ze het zelf zouden aanpakken en waarom de voorgestelde `materialisering' toch
echt een beetje beneden de maat is. Veel ongerief en weinig argumenten, dat is zo'n beetje de teneur.
Veel van die kritiek is wellicht terecht, maar tegelijkertijd kan welstandstoezicht als wettelijk onderdeel van een bouw-
vergunningsprocedure èn als uniek, wettelijk geregeld, cultureel instituut in de lokale bouwpraktijk met goede argumenten
verdedigd worden.
De gemeentelijke welstandsadviescommissies zijn het enige wettelijk geregelde instituut dat overzicht heeft over
nagenoeg alle bouwinitiatieven in Nederland. Welstandsadviescommissies komen, anders dan alle andere betrok-
kenen bij de bouw- en ontwerppraktijk, echt alléén op voor de ruimtelijke kwaliteit , zonder concessies, zonder enig
ander belang dan het belang van goede bouwplannen.
Natuurlijk moet er over de procedures en de kwaliteit van het welstandsadvieswerk voortdurend gediscussieerd
worden, natuurlijk moet de praktijk goed gevolgd worden en natuurlijk moet het niet ontaarden in oncontroleerbaar
subjectief en elitair achterkamertjesgedoe. Ook de afgelopen jaren is daarover weer veel nagedacht en gesproken,
tot in de Tweede Kamer toe. Door de wijziging van de Woningwet die op 1 januari 2003 van kracht is geworden zouden
de welstandscommissies en hun overkoepelende organisaties wel eens op een verrassende wijze aan belang en
vakinhoudelijke betekenis kunnen winnen.
Er zijn twee lijnen te onderscheiden in de kwaliteit van het welstandsadvieswerk: de lijn van het wettelijk geregelde
advies in het kader van de bouwvergunningsprocedure en de lijn van algemene adviezen in het kader van wat ik zou
willen noemen: de culturele agenda van de welstandscommissie.
Deze twee lijnen zal ik in het hierna volgende uitwerken, maar eerst presenteer ik een algemene notie over de
legitimatie van welstandstoezicht: waarom eigenlijk een welstandsoordeel voorafgaand aan het verlenen van een
bouwvergunning? Waarom bemoeit de overheid zich met de esthetische kwaliteit van uw bouwplan?
Legitimatie van welstandstoezicht
In Nederland bestaat nu ruim honderd jaar een wettelijk kader voor gemeentelijk bouwtoezicht. In de Woningwet
is geregeld dat voor het oprichten of veranderen van een bouwwerk een vergunning nodig is en de gemeentelijke
overheid is de vergunningverlenende instantie. De Woningwet regelt precies waaraan een bouwplan mag worden
getoetst, c.q. op grond waarvan een bouwvergunning mag worden verleend of moet worden geweigerd.
Een bouwvergunning moet worden geweigerd indien een voorgenomen bouwwerk niet voldoet aan de technische
eisen van het Bouwbesluit, aan de gemeentelijke bouwverordening, aan bepalingen uit het vigerende bestemmings-
plan, aan redelijke eisen van welstand en aan de eisen met betrekking tot de monumentale status van een bouwwerk
indien er sprake is van een geregistreerd monument. Deze publieke verantwoordelijkheid is samen te vatten in de
notie dat de wetgever het zinvol en noodzakelijk acht dat er een zekere publieke controle is op de kwaliteit van het
bouwen, in technische zin (Bouwbesluit en gemeentelijke bouwverordening) , in stedenbouwkundige zin (bestem-
mingsplan) in esthetische zin (welstandsoordeel) en in cultuurhistorische zin (monumentenadvies).
Hierin komt tot uitdrukking dat bouwen niet alleen een individuele, particuliere aangelegenheid is, maar dat er ook
een publiek belang mee gemoeid is. En in die zin moet het welstandstoezicht dan ook steeds gedefinieerd worden: het gaat
om de invloed van een bouwwerk op de bestaande of gewenste kwaliteit van de `openbare ruimte'. Het gaat over
`welstand': wordt in het ontwerp rekening gehouden met de belendingen, is er sprake van een positieve bijdrage
aan de kwaliteit van bestaande straatbeelden en pleinwanden, wordt het karakter van buurten gerespecteerd, is de
materiaalkeuze, de technische detaillering en het architectonische beeld in overeenstemming met wat redelijkerwijs
op deze locatie mag worden verwacht? `Welstand' is een term die rechtstreeks en mijns inziens uitsluitend verwijst
naar de omgeving, of, zoals de feitelijke wettekst luidt:
`Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of
de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar
de criteria die door de gemeenteraad zijn vastgesteld in een welstandsnota'. ( art. 12 lid 1 en art. 12a lid 1)
Deze principiële notie moet ver strekkende gevolgen hebben voor de werkwijze van veel welstandscommissies, want
veel welstandscommissieleden zijn onvoldoende doordrongen van de inhoud, de reikwijdte en de consequenties van
deze legitimatiegrondslag. Ze laten zich steeds opnieuw verleiden tot ongepaste vormen van architectuurkritiek, tot
detaillistische uitspraken over ondergeschikte ontwerpkeuzen die niet van belang zijn voor de verschijningsvorm
van bouwwerken in de openbare ruimte, of tot persoonlijke voorkeuren die tot uitdrukking komen in redeneringen
als: `Ik zou er toch de voorkeur aan geven als...' of: `Het zou beter kunnen worden als...'. Het kan altijd anders en
het kan ook altijd beter, maar daar gaat het bij welstandsadviezen niet om.
Welstandscommissies dienen zich in het kader van de beoordeling van bouwplannen als onderdeel van de bouw-
vergunningsprocedure te onthouden van persoonlijke opvattingen en oordelen over wenselijke kwaliteiten of
ontwerpvoorkeuren. Het gaat uitsluitend om een beredeneerd oordeel over de manier waarop en de mate waarin
een voorgenomen bouwwerk de bestaande openbare ruimte positief of negatief beïnvloedt. De criteria en aankno-
pingspunten daarvoor zijn beschreven in het gemeentelijke welstandsbeleid, voor buurten en wijken, voor specifieke
bouwwerken en in algemene zin onder de `algemene criteria'.
Welstandscommissies hebben dus in principe een beperkte opdracht, die is vastgelegd in de Woningwet art. 12 en
die is gelegitimeerd vanuit het publieke belang van de openbare ruimte. Lang niet alle welstandscommissies ope-
reren vanuit dat principe, maar met de vaststelling van welstandsbeleid op lokaal niveau bestaat de kans dat in de
toekomst legitimatie en werkwijze beter op elkaar zullen worden afgestemd.
Wethouders, die de opdrachtgever zijn van welstandscommissies, en architecten, die zich soms het slachtoffer
voelen, kunnen hierin ook een actieve rol spelen. Vraag, als u het niet helemaal begrijpt, of als u het verband van het
welstandsadvies met de openbare ruimte niet helemaal doorziet, bijvoorbeeld eens om een heldere argumentatie
vanuit het begrip `wel-stand', vraag eens om een argumentatie vanuit de stedenbouwkundige of landschappelijke
context van het bouwplan en vanuit de criteria en aandachtspunten die in het gemeentelijke welstandsbeleid zijn
vastgelegd, en vraag de commissie vooral ook om zich in het kader van het welstandsadvies binnen de bouwver-
gunningsprocedure daartoe te beperken.
Andere aspecten en àl e niet vanuit het welstandbeleid te beredeneren opvattingen en oordelen kunnen wel interessant
zijn of zelfs waardevol, maar ze hebben uiteindelijk geen juridische betekenis. Helaas misschien, maar zo is het.
Gewijzigd wettelijk regiem voor welstandstoezicht
In veel gemeenten in Nederland is de laatste jaren als gevolg van de gewijzigde Woningwet serieus werk gemaakt
van het opstellen van beoordelingsgrondslagen voor bouwplannen. Daarbij is heel veel inventariserend steden-
bouwkundig werk verzet met als doel zicht te krijgen op bestaande stedenbouwkundige, architectonische en
landschappelijke kwaliteiten, waarmee tenminste rekening gehouden zou moeten worden bij de beoordeling van
de toelaatbaarheid van bouwinitiatieven.
De opdracht was om de beoordelingscriteria, op grond waarvan welstandscommissies bouwplannen beoordelen
en adviezen opstellen aan gemeentebesturen, expliciet te maken en als beleidsregels te laten vaststellen door de
gemeenteraad. Het welstandsadvieswerk zou daarmee `transparant'worden, zoals dat in modern bestuursjargon
heet.
Wordt het werk van welstandscommissies nu saai, dom en zelfs overbodig?
`Als het een kwestie van afvinken wordt, een lijstje aandachtspunten en criteria afwerken, dan zijn welstandscom-
missies toch overbodig? Dan kan de procedure toch wel ambtelijk worden afgedaan? Dat scheelt een hoop energie,
een hoop gepraat en een hoop geld??'
Het is mijns inziens zoals in de rechtspraak: ondanks heel veel wetgeving en ondanks alle jurisprudentie is toch
steeds een onafhankelijke, kritische en vooral ook deskundige rechterlijke macht nodig om te wikken en te wegen,
om te interpreteren en te oordelen.
Een groot deel van de hele stapel bouwdossiers gaat over veel voorkomende kleine ingrepen en aanpassingen die
wellicht in versnelde procedures kunnen worden afgedaan. Voor veelvoorkomende wetsovertredingen heeft de
rechterlijke macht inmiddels ook snelrechtprocedures ontwikkeld, de Woningwet kent lichte bouwvergunningen en
loketcriteria. Maar voor het overige blijft het uitspreken van vonnissen en het opstellen van welstandsadviezen een
delicate aangelegenheid.
Algemene criteria en locatiegebonden criteria
Welstandscommissies zul en eraan moeten wennen dat hun adviezen voortaan, om juridisch houdbaar en rechtsgeldig
te zijn, gebaseerd moeten zijn op criteria, die ontleend zijn aan het door de gemeenteraad vastgesteld welstandsbeleid.
Dat principe is vastgelegd in art. 12 en 12a van de Woningwet.
Welstandsbeleidsnota's, die zijn opgesteld volgens de in opdracht van de VNG, de Federatie Welstand en het Bureau
van de Rijksbouwmeester opgestelde Model Welstandsnota, beschikken over twee interessante en noodzakelijke
clausules, die het mogelijk maken om meer en ook andere criteria aan te leggen dan alleen criteria die ontleend zijn
aan de kwaliteit van de bestaande omgeving van een bouwplan.
Dat zou immers tot een dor en levenloos conservatisme kunnen leiden, omdat dan alleen de bestaande gebouwde
omgeving tot de maat der dingen kan worden genomen.
De welstandsbeleidsnota is vaak het enige integrale en integrerende
beleidsstuk over de ruimtelijke kwaliteit van het gemeentelijke grondgebied
waarover een gemeente beschikt.
De belangstelling van andere gemeentelijke diensten dan de dienst Bouw-
en Woningtoezicht voor de inventarisatie die ten grondslag ligt aan het
welstandsbeleid begint op gang te komen. Daardoor ontstaan hier en
daar nieuwe relaties tussen de vanouds aan het bouwtoezicht gekoppelde
welstandscommissie en diensten voor stadsontwikkeling en stedelijke
vernieuwing. Inmiddels hebben zo'n 5.000 mensen in alle steden en dorpen
van Nederland zich enige maanden serieus gebogen over de vraag wat
nou precies in hun stad of dorp, in hun buurten en wijken, van belang is uit
oogpunt van stedenbouwkundige, architectonische en landschappelijke
kwaliteit, van Anna Paulowna tot Roermond en van Middelburg tot
Winterswijk.
Het opstellen van al die welstandsbeleidsnota's is een unieke exercitie
op een ongekende schaal geweest, met een scherpe focus, namelijk op
ruimtelijke kwaliteit en alles wat daarmee samenhangt. Dat lijkt me een
waardevol maar veelal onderbelicht aspect van welstandstoezicht.
Voor de meeste kleine en ondergeschikte bouwplannen is dat geen probleem. Het is bij kleine ondergeschikte
bouwplannen, waar meestal geen gekwalificeerde ontwerpers bij betrokken zijn, al mooi als het bestaande karakter
van buurten en wijken geen geweld wordt aangedaan, en dat is ook meteen het enige dat telt. En het is dus ook
wenselijk en aannemelijk dat de kwaliteit van de bestaande context voor de meeste bouwplannen tot uitgangspunt
van de bouwplanbeoordeling wordt genomen: past het hier of niet, is er sprake van een harmonieuze en zorgvuldige
inpassing, wordt rekening gehouden met maat, schaal en karakter van de belendingen??
Veel van de door welstandscommissies te behandelen bouwvergunningsaanvragen hebben betrekking op dergelijke
kleine ondergeschikte bouwwerken. Het is goed dat daarvoor nu een expliciet kader van buurt- en gebiedsbeschrijvingen
bestaat waaraan gemakkelijk de richtlijnen kunnen worden ontleend voor de beoordeling van de toelaatbaarheid
van deze bouwvergunningsaanvragen.
Maar soms schieten deze criteria tekort, bijvoorbeeld omdat de omgeving nogal karakterloos is, omdat het bouwplan
over uitzonderlijke kwaliteiten beschikt, of juist omdat het bouwplan zo evident beneden de maat van normaal
bouwkundig en architectonisch vakmanschap ligt, dat het niet met standaardcriteria te beoordelen is in relatie tot
de bestaande karakteristieken van de omgeving. In dat geval moet de welstandscommissie zich een oordeel kunnen
vormen op grond van de zogenaamde `algemene criteria', die betrekking hebben op algemene noties van architec-
tonische en stedenbouwkundige vakkundigheid en ontwerpkwaliteit. Omdat deze aspecten voor mensen zonder
inzicht in de discipline van architectuur en stedenbouw soms onbekend zijn, zijn ze in veel welstandsbeleidsnota's
als principiële en niet aan specifieke locaties gebonden beoordelingsgrondslagen uitvoerig uitgewerkt.
Beheer en ontwikkeling
De welstandsbeleidsnota is vaak het enige integrale en integrerende beleidsstuk over de ruimtelijke kwaliteit van
het gemeentelijke grondgebied waarover een gemeente beschikt. De belangstelling van andere gemeentelijke dien-
sten dan de dienst Bouw- en Woningtoezicht voor de inventarisatie die ten grondslag ligt aan het welstandsbeleid
begint op gang te komen. Daardoor ontstaan hier en daar nieuwe relaties tussen de vanouds aan het bouwtoezicht
gekoppelde welstandscommissie en diensten voor stadsontwikkeling en stedelijke vernieuwing. Inmiddels hebben
zo'n 5.000 mensen in alle steden en dorpen van Nederland zich enige maanden serieus gebogen over de vraag wat
nou precies in hun stad of dorp, in hun buurten en wijken, van belang is uit oogpunt van stedenbouwkundige, archi-
tectonische en landschappelijke kwaliteit, van Anna Paulowna tot Roermond en van Middelburg tot Winterswijk.
Het opstellen van al die welstandsbeleidsnota's is mijns inziens een unieke exercitie op een ongekende schaal
geweest, met een scherpe focus, namelijk op ruimtelijke kwaliteit en alles wat daarmee samenhangt. Dat lijkt me
een waardevol maar veelal onderbelicht aspect van welstandstoezicht.
In een recente nota die werd geschreven door ir. T. Asselbergs in opdracht van de Rijksbouwmeester, wordt in de
beschrijving van taken van welstandscommissies onderscheid gemaakt tussen bouwinitiatieven die zich voegen in
bestaande buurten en wijken, en de bouwinitiatieven die een nieuwe stedenbouwkundige structuur veroorzaken. Bij
de eerste categorie gaat het meestal om kleine bouwplannen, waarbij de kwaliteit en het karakter van de omgeving
richtinggevend kan zijn voor de beoordeling van bouwplannen.
Bij de grote bouwplannen zullen welstandscommissies altijd eerst een stedenbouwkundige visie, een programma
van eisen of een masterplan nodig hebben, waarin de kwalitatieve ruimtelijke uitgangspunten zijn verkend als
grondslag voor het oordeel over architectonische uitwerkingen. Dit principe is nu vastgelegd in bijna alle welstands-
beleidsnota's en zal kunnen leiden tot een serieuze uitbreiding van stedenbouwkundig werk als actueel kader voor
afzonderlijke bouwinitiatieven. Het betekent dus dat bij elk ontwikkelingsplan, zeg maar in het stadium van het
SPVE ook welstandscriteria worden geformuleerd en door de raad vastgesteld. Dát is vervolgens bij de definitieve
bouwaanvraag het beoordelingskader voor de welstandscommissie.
Bij dergelijke grote structuurveranderende bouwplannen kan het wenselijk zijn dat de welstandscommissie meer
doet dan alleen een welstandsoordeel formuleren op grond van de hiervoor beschreven nauwkeurige en beperkte
legitimatie binnen het kader van art. 12 van de woningwet. Er kan dan als het ware een kritisch, collegiaal en sti-
mulerend `ontwerpoverleg' ontstaan, waarin de welstandscommissie optreedt als adviseur en gesprekspartner van
ontwerpers. In deze vorm van vooroverleg, voorafgaand aan een definitieve bouwvergunningsprocedure, kunnen ook
veel meer aspecten van een ontwerp aan de orde komen dan in het kader van het nauwkeurig wettelijk gedefinieerde
welstandsadvies. De welstandscommissie kan immers ook altijd gewaardeerd en deskundig adviseur zijn; die taak
en rolopvatting verdwijnt niet met de invoering van de gewijzigde Woningwet, maar dient helder gedefinieerd te worden
en goed afgebakend van de juridische spelregels van het welstandstoezicht. In de praktijk van veel commissies
loopt dit nog slordig door elkaar en dat leidt vaak tot onheldere posities van en frustraties bij alle betrokkenen. Dit
goed te regelen is een van de grote opgaven voor de komende jaren.
De culturele agenda
Welstandscommissies die hun taak serieus nemen, doen dus meer dan alleen dossiers van bouwvergunnings-
aanvragen behandelen. Ze kunnen een kritische en stimulerende gesprekspartner zijn voor opdrachtgevers en
ontwerpers van grote bouwplannen en ze zijn, buiten het strakke kader van art.12 van de Woningwet, ook gewoon
adviseur van een gemeentebestuur over alle zaken die relevant zijn in het gemeentelijke en regionale bouw- en
ontwikkelingsbeleid. En omdat ze het enige platform zijn waarop alle bouwinitiatieven passeren, zijn ze vaak ook bij
uitstek gekwalificeerd om bepaalde zaken te agenderen.
Zo heeft de welstandscommissie in de Haarlemmermeer onlangs aandacht gevraagd voor de chaotische ontwikkeling
binnen de oude kernen van de polder, door het ontbreken van adequate en moderne bestemmingsplannen, beeld-
kwaliteitplannen of stedenbouwkundige visies, en dat terwijl de druk op bouwinitiatieven juist daar heel groot is en
versnipperd over veel kleine opdrachtgevers. Veel aandacht is er in de Haarlemmermeer voor de ontwikkeling van
Schiphol, voor de prestigieuze bedrijventerreinen, voor de grote VINEX-lokaties, maar in de oude kernen met veel
versnipperd bezit moet men het doen met verouderde bestemmingsplannen, met weinig zicht op de ontwikkelings-
mogelijkheden en op soms dramatische veranderingen in de stedenbouwkundige structuur en identiteit.
De welstandscommissie is bij uitstek in staat om snel te constateren dat het aantal volumineuze bouwplannen toe-
neemt en dat een kader voor stedenbouwkundige of landschappelijke regie eigenlijk ontbreekt. Dat is niet iets waar
je afzonderlijke opdrachtgevers en architecten mee moet lastig vallen, maar wel het gemeentebestuur.
In zo'n situatie past een signaal, een algemeen advies, een aanzet tot discussie en politieke en ambtelijke aandacht.
Je zou dat de culturele agenda van de welstandscommissie kunnen noemen. Veel brandende kwesties in de ruimtelijke
ordening en de stads- en dorpsontwikkeling kunnen vanuit een alert, deskundig en stimulerend welstandsbeleid
met kracht van argumenten aan de orde worden gesteld. Dit deel van de agenda moet niet worden verward met
de wettelijke taken conform art.12 van de Woningwet, maar het ligt wel direct in het verlengde daarvan, en het is
uitsluitend afhankelijk van de deskundigheid, het gezag, de alertheid en de politiek-maatschappelijke gevoeligheid
van welstandscommissies of ze voor algemeen getinte adviezen gehoor vinden bij het lokale bestuur, die uiteindelijk
de opdrachtgever is van de welstandsadviescommissie.
Met de Nota Ruimte over het Rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening wordt aangestuurd op een zware rol van
gemeentebesturen in regionale planvorming, stads- en dorpsontwikkeling, landschapontwikkeling, locatiekeuze en
bouwprogrammering. Het zogenaamde contourenbeleid van de Rijksoverheid zal zoveel mogelijk ruimte bieden aan
alle mogelijke lokale initiatieven. Als gemeenten wìllen bouwen, dan moeten ze kùnnen bouwen.
Als de verantwoordelijkheid voor regionale ruimtelijke ordening zo nadrukkelijk bij gemeentebesturen wordt gelegd
dan is een kritische, alerte en deskundige advisering over kwalitatieve ontwikkelingen van groot belang. Als in een
deel van de vergadering bouwplannen worden becommentarieerd en beoordeeld vanuit helder geformuleerde en
effectieve criteria en aandachtspunten, dan kan in het volgende deel gesproken worden over algemene ontwik-
kelingen, over stedenbouwkundige kaders, over de kwaliteit van bestemmingsplannen, over ontwikkelingen in
het landelijk gebied, over reclamebeleid, over bedrijventerreinen. De agenda is in principe onbegrensd, maar zou
goed kunnen worden gestructureerd aan de hand van een periodiek overleg met verantwoordelijke wethouders en
aan de hand van een regionale agenda van intergemeentelijk af te stemmen thema's, bijvoorbeeld in de sfeer van
bedrijventerreinen en landschapbeheer.
Vermeden moet worden dat de welstandscommissie wegzakt in een oeverloze bemoeizucht, maar als de relatie
met de bouwvergunningdossiers steeds uitgangspunt blijft, dan kan een wat meer algemene oriëntatie ook de voe-
dingsbodem zijn voor een steeds effectiever welstandsbeleid, minder gericht op details van bouwplannen en meer
op bijsturen van maatschappelijk ongewenste ontwikkelingen.
Bij dit alles hoort een veel grotere inspanning van welstandscommissies om te communiceren over hun werkzaam-
heden. De herziene Woningwet heeft daarvoor een goede basis gelegd. Voor veel welstandscommissies is het
opstellen van een politiek en maatschappelijk relevant jaarverslag iets nieuws; maar vanaf januari 2003 is het een
verplicht onderdeel van het functioneren van welstandscommissies (Woningwet art. 12b, lid3)
Deze verplichting houdt mijns inziens niet op bij het opstellen van een jaarverslag; daar hoort tenminste eenmaal
per jaar overleg met de verantwoordelijk wethouder en een presentatie in een raadscommissie bij. En voorts zal het
jaarverslag ook aanleiding kunnen zijn voor bijvoorbeeld eens per twee jaar enkele voorstellen voor tekstwijzigingen
en accentverschuivingen in de welstandsbeleidsnota.
Procedurele en inhoudelijke begeleiding
Provinciale organisaties, van waaruit het welstandstoezicht in heel veel gemeenten wordt gecoördineerd, en ambtelijke
secretariaten van welstandscommissies in de meeste grote steden zijn in staat om hun commissieleden inhoudelijk
en procedureel goed te begeleiden. Dat leidt tot een steeds verdere toename van professionaliteit en vakinhoudelijke
integriteit, waardoor het welstandstoezicht kan rekenen op een steeds groter draagvlak bij lokale politici, ontwerpers
en het publiek. Het opstellen van gemeentelijk welstandsbeleid, als nieuw wettelijk voorschrift van de gewijzigde
Woningwet, heeft daartoe bijgedragen.
In heel veel gemeenteraden zijn de welstandsbeleidsnota's na meer of minder discussie unaniem vastgesteld en
daarmee is opnieuw bevestigd dat lokale politici een zekere vorm van controle op de esthetische kwaliteit van het
bouwen niet kwijt willen. Het is nu de hoogste tijd om in het werk van welstandscommissies een helder en contro-
leerbaar onderscheid te maken tussen:
· de wettelijk gefundeerde welstandsadviezen, als onderdeel van de bouwvergunningsprocedure, strak geregeld in
art. 12 van de Woningwet, uitgewerkt in gemeentelijk welstandsbeleid en uitsluitend gelegitimeerd door de publieke
verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de openbare ruimte;
· het collegiale ontwerpoverleg, waarin kritische reflectie kan plaatsvinden en stimulerende adviezen kunnen worden
gegeven over de conceptuele architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit van bouwplannen;
· en de culturele agenda waarin welstandscommissies op basis van hun veelzijdige en vaak diepgaande inzicht in de loka-
le bouwcultuur bestuurlijke en ambtelijke aandacht kunnen vragen voor belangrijke onderwerpen en ontwikkelingen.
Centraal agendapunt blijft de advisering over bouwvergunningsaanvragen, maar het kader waarin adviezen tot
stand komen en geformuleerd worden is totaal veranderd en welstandscommissies zullen daarmee moeten leren
leven.
Provinciale organisaties, van waaruit het welstandstoezicht in heel
veel gemeenten wordt gecoördineerd, en ambtelijke secretariaten van
welstandscommissies in de meeste grote steden zijn in staat om hun
commissieleden inhoudelijk en procedureel goed te begeleiden. Dat leidt
tot een steeds verdere toename van professionaliteit en vakinhoudelijke
integriteit, waardoor het welstandstoezicht kan rekenen op een steeds
groter draagvlak bij lokale politici, ontwerpers en het publiek. Het opstellen
van gemeentelijk welstandsbeleid, als nieuw wettelijk voorschrift van de
gewijzigde Woningwet, heeft daartoe bijgedragen.
Daarnaast, maar uitdrukkelijk los daarvan en zonder juridische grondslag, kan met opdrachtgevers, architecten
en stedenbouwkundigen diepgaand, geïnspireerd en constructief collegiaal overleg plaatsvinden, waarbij de
welstandscommissie een vruchtbare bijdrage kan leveren om meer ruimte te scheppen voor architectonische en
stedenbouwkundige prestaties. Deze discussies zijn uiteraard niet helemaal vrijblijvend, de welstandscommissie
stuurt bij en schept verwachtingen en zal dus alert moeten zijn op de `eindbeoordeling' bij de bouwaanvraag, zowel
t.a.v. het bouwplan als t.a.v. de beoordelingscriteria. Dergelijke discussies en de daaruit voortkomende adviezen
moeten zorgvuldig worden genotuleerd en op schrift gesteld.
De jaarverslagen over het welstandscommissiewerk, die nu wettelijk verplicht zijn geworden, geven de mogelijkheid
om periodiek kritisch te evalueren hoe en met welke resultaten het welstandsadvieswerk heeft plaatsgevonden.
Daardoor kunnen niet alleen lokale politici maar ook alle andere direct en indirect betrokkenen zich een goed oordeel
vormen over de zin en onzin van welstandscommissies. Jaarlijks zal het gemeentebestuur verantwoording afleggen
aan de gemeenteraad over het gevoerde welstandsbeleid.
In deze jaarverslagen, maar wellicht ook op andere momenten en via andere vormen van communicatie, kan de
welstandscommissie als adviseur van het gemeentebestuur ook signalen afgeven, ontwikkelingen signaleren en
knelpunten aan de orde stellen die van belang kunnen zijn voor de ruimtelijke ordening in het algemeen en het
gemeentelijke bouwbeleid in het bijzonder.
Sommige regionale welstandsorganisaties en de welstandscommissies in de grote steden zijn ook in staat om
op basis van veel ervaring thema's aan de orde te stellen die van belang kunnen zijn voor het klimaat rond de
beroepsuitoefening van architecten, stedenbouwkundigen en landschapontwerpers.
Zo heeft de Noord-Hollandse welstandsorganisatie een diepgravende verkenning achter de rug over het thema
`bedrijventerreinen', waarover in mei 2004 een publicatie is verschenen. De ervaring is dat met dergelijke acties
vanuit welstandscommissies juist betrokkenen kunnen worden bereikt die veelal niet deelnemen in professionele en
culturele debatten over actuele vraagstukken in de ruimtelijke ordening, zoals ambtenaren, raadsleden, wethouders,
architecten, bouwadviseurs en kleine ontwikkelaars in kleine en middelgrote gemeenten.
Als dáár belangstelling voor architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit wordt gewekt dan is er pas echt wat
gewonnen, lijkt me.
Ndv.